maandag 12 oktober 2020

Operatie Cannonshot, geschiedenis in de achtertuin

Het was begin oktober, vroeg in de ochtend. De late zomerse zonnestralen hielden de aanstaande herfst nog even op afstand. Het lichte briesje dreef de dunne sliertige bewolking uiteen, waardoor de laatste zomerse zonnestralen vrij spel kregen om alles te verwarmen wat hen ten prooi viel. 


 

Eén van onze favoriete rondjes, langs de IJssel

Ik trok er samen met Hans op uit om één van onze favoriete rondjes te rijden, langs de IJssel.

Een rondje dat we wel vaker maken en zeker op zo’n mooie dag als vandaag is het altijd een genot om te zien hoe de zonnestralen met het water spelen dat door de IJssel stroomt. Hans stond stipt op de afgesproken tijd bij mij voor de deur. Ik stapte op mijn fiets en we probeerden zo snel als we konden de weilanden te bereiken om zo in alle rust richting Wilp te rijden. Wat ons direct opviel, was de temperatuur: het leek wel voorjaar. Het beloofde nu al een mooie dag te worden. 

 

De zonnestralen weerkaatsten op het stromende water

Eenmaal bij Wilp aangekomen, sloegen we rechts af de Dorpsstraat in. Aan het eind gingen we weer rechts, waarbij we de Dorpskerk passeerden. Een schitterend kerkje, met eenzelfde schitterende geschiedenis die teruggaat naar het jaar 765. Het was de Angelsaksische missionaris Lebuinus die hier in dat jaar een oratorium neerzette. Dezelfde Lebuinus bouwde later ook een kerk in Deventer en Zwolle. Na zijn dood in 773 werd hij heilig verklaard en  uitgeroepen tot patroonheilige van Deventer. Vanaf dit kerkje reden we rechtdoor tot de dijk, waar we rechts afsloegen richting Zutphen. Mijn ogen gingen als radars over de weilanden, op zoek naar wild. En ja, een haas in het veld! “Opmerkelijk”, dacht ik bij mezelf. “Het lijkt wel of de populatie de laatste jaren aan het toenemen is. Mooie beestjes.” We passeerden boerderijen en landerijen en genoten van het heerlijke weer en van alles wat er om ons heen te zien was. Niet veel later fietsten we vlak langs de IJssel en ik genoot van het schitterende uitzicht. De zonnestralen weerkaatsen op het stromende water van de rivier. De rivier die nooit stilstaat; die geeft en neemt. De rivier die de stad in tweeën deelt; die het wrakhout op de golven met zich meedraagt. De rivier die, dag in dag uit, alles ondergaat; die je nooit hoort klagen. De rivier die gewoon doorgaat met doen waar hij goed in is - stromen. Ik denk hier vaak aan, als ik weer eens tegen de wind in aan het harken ben en langs deze mooie, gekronkelde machine van natuurgeweld fiets.

 

Als koorddansers daalden we het gladde stukje dijk af

Een eindje verderop liep de weg iets naar rechts en voordat ik er erg in had, kneep ik in mijn remmen. Aan het eind stonden drie bankjes en ik deed iets wat ik tijdens dit rondje nog nooit had gedaan. Ik stopte en zei tegen Hans dat ik vanaf deze verhoging een foto wilde maken. Ik zette mijn fiets tegen een houten hekje en keek van links naar rechts over de rivier. Niet heel ver voor ons zag ik een steen. “Wat is dat?”, vroeg ik aan Hans. “Het lijkt wel een gedenksteen.” Op onze fietsschoenen waggelden we er heen. Als koorddansers daalden we het gladde stukje dijk af dat ons bij de steen bracht. Met stomme verbazing lazen we dat de geallieerden hier op 12 april 1945 zijn overgestoken. “We zijn hier al zo vaak langs gefietst, maar ik heb nooit geweten dat dat hier was”, zei Hans. 

 

Op 11 april 1945 om 14.00 uur begonnen de geallieerden Operatie Cannonshot. De oversteek was onder andere vanuit Slot Nijenbeek blootgesteld aan de Duitse observatie. Door aan beide zijden gebruik te maken van gigantische rookgordijnen, konden de eerste amfibievoertuigen en infanteristen de overkant bereiken. Om tanks en ander materieel óók aan de overkant te krijgen, moest ter plekke een brug gebouwd worden. Deze brug was om 23.15 uur klaar en tijdens deze operatie hebben de nodige soldaten hun leven gegeven. Om 03.00 uur in de ochtend van 12 april was ook de veerpont klaar om tanks en ander zwaar materieel naar de overkant te brengen. Vanaf dit punt trokken de geallieerden verder richting Wilp, Twello, Teuge en Apeldoorn. Een andere compagnie trok op datzelfde moment via het kanaal richting Apeldoorn, zodat Apeldoorn op 17 april van twee kanten bereikt kon worden.

 

Ik knikte en keek nog eens over de rivier

Hans en ik keken nog eens rustig om ons heen en beseften dat we hier op een belangrijk punt van de Nederlandse bevrijding stonden. “Nooit geweten dat ze hier de oversteek gemaakt hebben, terwijl we hier al zo vaak langs gefietst zijn”, zei Hans weer. Hier, op dit punt konden de geallieerden vanuit het oosten doorstoten naar het noorden om zo de vluchtroute van onze bezetter af te sluiten. Ik knikte, keek nog eens over de rivier en zei: “Een stukje geschiedenis in onze achtertuin.” We besloten om verder te gaan en kluunden terug naar onze fietsen. We stampten de klei van onze fietsschoenen en klommen op de fiets. 

 

Hans en ik staarden stil om ons heen

Niet veel verder kwamen we langs landgoed De Poll. Op dit landgoed staat, aan de rand van de IJssel, ruïne Nijenbeek. We besloten om ook daar een kijkje te nemen. We stuitten op een zeer mooie ruïne van dat wat vroeger een alleraardigst slot moet zijn geweest. Dat slot stond hier sinds 1266 en was altijd bewoond, totdat de Duitsers het innamen en er een observatiepost van maakten. Vanaf deze plek heb je een schitterend uitzicht over de IJssel. Op een bordje lazen we dat de geallieerden het kasteeltje zwaar hadden beschoten om de Duitsers eruit te krijgen zodat ze de oversteek konden maken. De achterkant van het kasteeltje was er gewoonweg vanaf geschoten. Na de oorlog werd het nooit meer in ere hersteld. Ik stond naar de ruïne te kijken toen een vreemd gevoel mij bekroop. Was het blijdschap? Trots? Ik kon het gevoel niet direct thuisbrengen. Respect komt eerder in de buurt; respect voor de jonge mannen die hier voor onze vrijheid vochten. Het was voelbaar; je voelde gewoon dat hier stevig is gevochten. Jonge mannen die hier voor onze vrijheid hebben gestreden. Hans en ik staarden stil om ons heen. Het was een schitterend plekje; we hoorden en zagen niemand. We probeerden nog een glimp van de achterkant van de ruïne op te vangen, maar we konden helaas niet echt dichtbij komen. Op bedeesde toon vroeg Hans “Zullen we gaan?” We liepen terug naar onze fietsen en keken nog even naar het bijgebouw. We stapten in stilte op, reden het zandpad af en lieten de ruïne achter ons. We zeiden niets tegen elkaar. Het enige geluid was het geluid van onze fietsen die over het zandpad knarsten.

 

Een stukje geschiedenis in onze achtertuin

We kwamen op de verharde weg en vervolgden onze route. Al snel zaten we weer in ons ritme en lieten we de beentjes lekker rondgaan. We waren allebei onder de indruk van wat zich hier 75 jaar geleden had afgespeeld en zeiden niet veel. We reden door naar Zutphen, Brummen en Laag-Soeren. De laatste zomerse zonnestralen zorgden voor een warm gevoel. We fietsten via Eerbeek naar Loenen en besloten om langs het Apeldoorns Kanaal terug te fietsen naar Apeldoorn waar we nog even een espresso dronken. Terwijl we van het heerlijke weer en onze espresso genoten, namen we deze rit nog eens rustig door. Een stukje geschiedenis, en dat alles gewoon in onze achtertuin.

 

 

zaterdag 15 augustus 2020

Felice Gimondi,de buizerd van Bergamo

Het was een vroege zaterdagochtend; ik zat voor ons huisje en genoot van de ochtendrust. Niet alleen het vakantiepark, maar ook mijn huisgenootjes lagen er vredig bij. Langzaam werd het vredige gekoer van de duifjes verstoord door de percolator die meldde dat mijn espresso aanstaande was. Beter kun je de dag niet beginnen: verse espresso, een cornetto con crema en een zonnetje dat tussen de bergen door de strijd aangaat met de laatste flarden ochtendmist. Nadat ik mijn ontbijt had verorberd en de laatste kruimels van mijn bord naast het terras voor de duiven had gestrooid, bracht ik mijn fiets in gereedheid om een stukje te gaan rijden. Ik controleerde nog even of ik alles bij me had: reepje, bidon, pomp, bandje, telefoon en wat kleingeld. Ik zette mijn helm en bril op en verliet in alle rust het vredige vakantiepark. Waar ik heen ging, wist ik eigenlijk nog niet; echte plannen of een doel had ik deze ochtend niet.

 

 

Het werd weer een ouderwetse ontdekkingstocht

Al snel dook ik een klein bergweggetje in dat me door een mooie appelboomgaard leidde. Een eindje verder volgde een kersenboomgaard waarvan de kersen helaas een tijdje terug al geoogst waren. Ik fietste door de goed onderhouden fruitboomgaarden van Trentino, met zo hier en daar een gemene klim, een zeer smal weggetje of wat onverharde wegen. Het werd weer eens een ouderwetse ontdekkingstocht. Op een gegeven moment werd het straatje zo smal, dat ik bijna dacht dat ik aan het eind van de wereld uitkwam. Toch was er elke keer weer een boerderij of een huisje waar ik langs fietste. Op een gegeven moment moest ik zelfs over een erf heen waar een boerenfamilie stond. Ze keken behoorlijk verbaasd toen er ineens een wielrenner bijna door hun schuur fietste; zij wisten als geen ander welke weg ik afgelegd had om daar te komen. En, eerlijk is eerlijk: als ik dat van tevoren geweten had, dan weet ik niet of ik die ochtend deze mensen een bezoekje had gebracht. 

 

Zoals altijd brandde ik een kaarsje

Ik vervolgde mijn weg over het smalle paadje. Ik was al een tijdje geen dorpje of boerderij meer tegengekomen. “Zou ik dan toch moeten omdraaien…”, mijmerde ik. Maar ik wist hoeveel moeite het me had gekost om tot hier te komen, dus omdraaien was voor mij natuurlijk geen optie. Ik reed rustig verder, al werd de weg er niet beter op. In de verte zag ik een klein gebouwtje staan. Of het een oude boerderij of schuur was, kon ik met al die bomen en vanaf die afstand niet goed zien. Ik kwam dichterbij en vanaf de zijkant leek het wel een klein kerkje. Toen ik vlakbij was, boog de weg er iets vanaf. Langs de weg stonden een aantal auto’s. Ik zag een bordje met ‘Santuario della Madonna del Feles’. “Dat is altijd interessant,” dacht ik en ik draaide mijn fiets om en reed richting het kleine kapelletje. Het was oud, maar goed onderhouden en kende een interessante geschiedenis: rond 1620 zou hier de maagd Maria verschenen zijn aan een jonge herder, Jansel genaamd, die doofstom was. Zij genas hem en gaf hem vervolgens de opdracht om de mensen in het dorp zijn verhaal te vertellen zodat ze op deze plek een kerkje konden bouwen. Ik ging even binnenkijken en dat was meer dan de moeite waard. Ook de binnenkant was goed onderhouden en er waren een aantal fresco’s te bewonderen. Zoals altijd brandde ik ook nu weer een kaarsje voor alle dierbaren die mij ontvallen waren, en voor iedereen die een extra steuntje kon gebruiken. Ik stond even stil bij van alles en nog wat, waarna ik mijn eigen pad weer vervolgde. 


“E morte, il campione”

Het duurde niet lang of ik fietste de bewoonde wereld in. Al gauw ontdekte ik een bord dat mij de goede kant op kon sturen: Bossentino, 3 kilometer - die kant moest ik op. Vanaf Bossentino daalde ik af richting Calceranica al Lago. Een mooie en goed lopende afdaling waar ik de fiets lekker kon laten lopen. Na een goede twee uur kwam ik aan in Calceranica al Lago. Ik besloot om bij het plaatselijke barretje ‘un caffe’ met een lekker broodje te pakken. Ik plaatste mijn fiets zorgvuldig tegen het metalen bord van Algida en zag dat de ‘fior di fragola’ nog steeds op de kaart stond, een ijsje waar ik in de jaren tachtig verzot op was. Ik liep naar binnen en bestelde ‘un caffe e un cornetto simplice’. De koffie werd met veel liefde voor me gemaakt; het broodje mocht ik zelf pakken. Ik ging er even heerlijk voor zitten, want de beentjes voelden best zwaar. Terwijl ik van mijn koffie genoot, keek ik naar de standaard met kranten. Tot mijn verbazing zag ik een foto van Felice Gimondi; de tekst die erbij stond was onleesbaar omdat er allerlei kranten voor staken. Ik liep naar het rek en haalde de welbekende roze krant eruit.

Ik keek naar de foto, maar voordat ik de kans kreeg om de tekst te lezen, hoorde ik vanachter de bar een zware stem. “E morto, il campione. Een hartstilstand tijdens het zwemmen.” Ik keek de man verbaasd aan, die rustig doorging met de vaat en ondertussen zei: “De buizerd van Bergamo vliegt niet meer.” Ik ging weer zitten, at mijn broodje en sloeg het laatste slokje koffie achterover en las het nieuws over Felice Gimondi. Nadat ik had afgerekend, liep ik naar buiten en stopte de krant in één van mijn achterzakken. Ik pakte mijn fiets en stapte op om de laatste paar kilometers af te leggen.  Met de schrik van het nieuws over Felice Gimondi in de benen en met La Gazetta in mijn achterzak, rolde ik ons vakantieparkje weer op. Ik plaatste mijn fiets tussen de auto en ons huisje, legde mijn helm in de zon te drogen en liep naar binnen om wat verfrissends in te schenken. Met een nonchalante zwaai deponeerde ik de roze krant op tafel. “Hoe ging het?” “Gimondi is overleden”, antwoordde ik. “Wie?” “Felice Gimondi”, zei ik verbaasd. “Ken ik niet”, was het antwoord terug. Ik ging in de schaduw zitten en had mezelf de moeite bespaard om uit te leggen wie Felice Gimondi was. Nu kon ik rustig de krant lezen.

 

De ‘buizerd van Bergamo’ vloog uit en het peloton zag hem niet meer terug

’s Avonds installeerde ik me voor de televisie, omdat er een eerbetoon uitgezonden zou worden zoals ze alleen in Italië sporthelden kunnen eren. Felice Gimondi, geboren op 29 september 1942 te Sedrina. Hij groeide op in een degelijk gezin, waar hard gewerkt moest worden. Vader was vrachtwagenchauffeur en moeder postbode. Het was zijn moeder die de basis legde voor de grote Gimondi. Als kleine jongen mocht hij vaak met zijn moeder mee om de post rond te brengen, op de fiets. In het heuvellandschap tussen Sedrina en Bergamo werd de basis gelegd voor zijn glansrijke carrière. Het duurde overigens nog jaren voordat hij zijn eerste koersfiets kreeg, maar toen hij die eenmaal had, veranderde hij in een stoïcijnse coureur die precies wist wat zijn doel was. Hij was een zeer goede amateur en won onder andere ‘De ronde van de toekomst’. In 1964 stond hij aan de start van de Olympische Spelen in Tokyo, samen met nog zo’n groot talent - Eddy Merkx. De wereld kreeg toen al een voorproefje van wat de jaren daarop nog vaak zou gebeuren. Eddy dacht dat hij er in de laatste ronde tussenuit kon knijpen, maar helaas - de Buizerd van Bergamo haalde hem terug. In het jaar daarop maakten beide heren hun debuut in het profpeloton, maar het was uitgerekend Gimondi die van zich deed spreken. Aanvankelijk zou hij niet meegaan naar de Tour, maar hij werd op het laatste moment toch opgeroepen en verscheen als neo-prof onverwachts aan het vertrek. In een overgangsetappe kreeg hij een vrijbrief om wat te proberen; hij was bij de rest van het peloton een jonge, onbekende renner. De Buizerd vloog uit en het peloton zag hem nooit meer terug, waarmee hij de basis legde voor zijn eindklassement. Hij won dat jaar drie etappes, maar het winnen van de Tour in zijn debuutjaar was de allerbelangrijkste overwinning. Gimondi was toen pas 23 jaar. En daar bleef het niet bij: hij reed vijf keer de Tour de France, maar eindigde nooit lager dan de zevende plaats. Hij reed 14 keer de Giro en won hem drie keer en stond negen keer op het podium in het eindklassement. Zijn laagste klassering  was een 15e plaats, hij was toen al 35 jaar oud. Ook reed hij eenmaal de ronde van Spanje waarbij hij ook met de winst naar huis ging. Felice Gimondi was één van de zeven renners die alle drie de grote rondes hebben gewonnen. 

 

Wie weet wat er gebeurd zou zijn als Merckx er niet was geweest….

Hij was niet alleen een grote ronderenner, maar ook in eendagskoersen kon hij goed uit de voeten. Hij won Milaan-San Remo, Parijs-Roubaix, twee keer de Ronde van Lombardije en twee keer Parijs-Brussel. In 1973 bekroonde hij zijn carrière met de regenboogtrui. Naast deze overwinningen stond hij ook nog eens tien keer op het podium bij een klassieker en won hij ook vele minder bekende eendagswedstrijden én werd hij twee keer Italiaans kampioen op de weg - en dat allemaal in het tijdperk met Eddy Merckx! Wie weet wat er gebeurd was, als Merckx er niet was geweest... Samen met zijn toenmalige ploeggenoot van Bianchi Campagnolo, de Belg Rik van Linden, won hij in 1977 de zesdaagse van Milaan; ook op de baan kon hij dus een aardig stukje rijden. Na zijn carrière bleef hij Bianchi en de wielersport trouw, waarbij hij zijn hele leven ‘een uithangbord’ voor Bianchi is geweest. 

 

Felice Gimondi overleed op 16 augustus 2019 tijdens het zwemmen in de zee bij Giardini Naxos op Sicilië aan een hartinfarct t. Hij werd 76 jaar.

 

Grazie Felice.

 

 

 

  

 

dinsdag 7 juli 2020

Terug naar het front


Toen ik na mijn bezoek aan de begraafplaats van Slaghenaufi wegfietste, ging er een briesje door mijn haar dat ik toeschreef aan de mysterieuze en veel te vroeg overleden Maria. De hele terugweg en de rest van de avond bleef ze door mijn hoofd dwalen - alsof ik gevangen was door een muze. Ze wakkerde een nieuwsgierigheid in mij aan, die ik niet onbeantwoord kon laten en op internet dook ik de geschiedenis in. De geschiedenis van La Grande Guerra.
Het voelde alsof zij me bij de hand nam om dit als het ware samen te doen. 

Een stukje geschiedenis
Ik kwam erachter dat ik hier vlak achter het front zat waar beestachtig gevochten was. De Oostenrijkers waren tussen 1876 en 1895 begonnen om forten op Italiaans grondgebied te bouwen. De Italianen voelden er niet veel voor om deze indringers terug te dringen. Ook toen de grote oorlog losbarstte, wilden ze neutraal blijven. Ondertussen hadden zij toch ook hun stellingen in de bergen opgetrokken. Niet omdat ze ten strijde zouden trekken, maar omdat ze iets duidelijk wilden maken: Tot hier en niet verder. 

Het Oostenrijkse rijk vocht in het begin aan twee fronten: het oosten en westen en werd daarbij gesteund door de Duitsers. Toen de geallieerden bij de Italianen aanklopten om ook ten strijde te trekken zodat de Oostenrijkers op drie fronten bestookt konden worden, hoefden ze daar niet lang over na te denken. De Italianen waren immers afhankelijk van de aanvoer van kolen uit het  Verenigd Koninkrijk, maar belangrijker nog: de geallieerden gaven toe aan de eisen die de Italianen stelden. Als wederdienst wilden zij na de oorlog Trentino, Triëst, Istrië en de Dalmatische kuststreek. 

En zo geschiedde dat Italië op 23 mei 1915 ten strijde trok en geheel onverwacht toesloeg. Wat volgde was een lange en bittere stellingenoorlog, boven in de bergen. Het front zat al gauw muur en muur vast - nog vaster dan in Noord-Frankrijk en in Vlaanderens veld. De omstandigheden waren helser dan men kon bedenken. Alle bevoorradingen werden door ezels en mankracht gedaan, maar ook honden werden gebruikt om karretjes met lichtere spullen naar boven te brengen. De winters van 1916 en 1917 waren lang en streng en kenden de meeste sneeuwval ooit in die regio gemeten, met temperaturen van wel -40 graden. Hierdoor liepen de bevoorradingen erg stroef, maar de militairen van La Grande Guerra waren hun tijd ver vooruit en waren zeer inventief. Op plekken waar het kon, bouwden ze in 1916 al de eerste liften en niet veel later liepen de eerste kabelbanen naar de toppen van de bergen om daar de legers te bevoorraden. De Oostenrijkers sloegen tegen het eind van La Grande Guerra volkomen onverwacht en hard toe. Met hulp van de Duitsers braken ze ver door de linies heen en kwamen bijna tot in Venetië. De Italianen kregen op hun beurt hulp van de Engelsen en sloegen hard en meedogenloos terug en drongen de vijand bijna terug tot op eigen grondgebied. Dit was een enorm succes voor het Italiaanse leger en niet veel later werd de vrede getekend. In het Italiaanse leger zei men gekscherend: “Weten we eindelijk hoe we moeten vechten, is de oorlog voorbij.”

Het Italiaanse leger dat eigenlijk niet goed voorbereid was en onverwacht ten strijde was getrokken, bestond onder andere uit arme boeren die vanuit het zuiden en midden van het land kwamen. Zij vochten voor de eer en voor het toen nog jonge vaderland. Ze waren amper getraind en werden buitengewoon wreed behandeld. De straffen voor het minste of geringste logen er niet om en een executie van eigen manschappen werd niet gevreesd. Italië verloor in deze strijd 600.000 mannen. De verliezen aan Oostenrijkse kant waren nog veel groter (1.300.000 soldaten), maar zij vochten dan ook aan drie fronten.

Op weg naar Lavarone, naar hun front
De dag na mijn eerste bezoek aan de begraafplaats besloot ik om al vroeg op pad te gaan. In de ochtendmist trok ik over de Menador, op weg naar het front - net zoals de Kaiserjägers dat een goede 100 jaar geleden ook gedaan moeten hebben. Ik was weer op weg naar Lavarone. De klim kostte me deze ochtend beduidend minder moeite; ik wist nu wat er komen zou. In mijn hoofd speelde zich bovendien een film af hoe die mannen ruim 100 jaar geleden hier enorm hadden afgezien. Ik was op weg naar hun front. Boven op de Menador ging ik rechtsaf, richting Lavarone en Forte Belvedere dat één van de best bewaarde forten van La Grande Guerra is. Niet veel later fietste ik weer onder dat doek door met de tekst dat het 100 jaar geleden was dat de gevluchte bewoners naar hun eigen streek teruggekeerd waren. Met dank aan mijn zoektocht op internet had ik er nu een beeld bij hoe 75.000 overwegend arme boeren huis en haard hadden verlaten. 

En daar, daar stond Forte Belvedere
Niet veel later reed ik Gion

ghi binnen. Ik reed door naar het centrum en ging daar linksaf. Het plaatselijke barretje liet ik nu ook letterlijk links liggen en ik fietste verder op de Strada Proviciale 216. Deze weg bracht mij tot buiten het dorp en niet veel later was daar de afslag naar Forte Belvedere. Een smalle weg liep tussen de bomen omhoog; het was een korte maar redelijk steile klim met weinig bochten. En daar stond het, Forte Belvedere. Het was zo te zien nog in perfecte staat. In het voorgebouwtje zat een bar met een klein winkeltje. Ik liep met fiets en al naar binnen en vroeg aan de man die daar werkte, of ik mijn fiets daar mocht stallen. Dat was geen probleem. “Zet hem hier maar neer”, zei hij terwijl hij naar een plekje in de hoek naast de bar wees. Ik bestelde een koffie en kon mijn blik niet afhouden van de vitrine met de overheerlijke zoete broodjes. “Doe er maar één met crème”, zei ik. Ondertussen deed ik andere schoenen en een jasje aan. Ik had gelezen dat het in het fort fris kon zijn. Het waren vooral gangenstelsels die ze uit de rotsen hadden gehouwen en alleen de voorkant was opgemetseld met dikke stenen. Nadat ik mijn koffie en broodje genuttigd had, ging ik bij de kassa in de rij staan. Toen ik aan de beurt was, vroeg ik in mijn beste Italiaans om één kaartje. Ik had geen contant geld bij me en wilde dus met pin betalen. Na twee pogingen pakte de man mijn pas om hem op te poetsen en zag tot zijn verbazing dat het een buitenlandse betaalpas was. “Ja, je bent hier in Italië hè. Niet alles werkt hier.” Ik voelde toch weer even het oude zeer van deze streek boven komen. Ik stelde de man gerust en zei: “Ik kom uit Nederland en daar doet de pin het ook niet altijd.” De man keek verbaasd, de pinautomaat zei ‘piep’ en we wensten elkaar lachend een fijne dag.

Ik draaide mijn hoofd en werd met mijn neus op de feiten gedrukt
Daar stond ik, voor de ingang van Forte Belvedere. Een groot, grijs en log gebouw met links en rechts het nodige wapentuig. Met wat gekraak en gepiep opende ik de stalen deur en het zonlicht viel over mijn schouders de donkere ruimte binnen. Ik liep mijn schaduw achterna het fort in en stond vervolgens in een koud en donker halletje. De deur viel met een plof achter me dicht. Rechts van me was een slecht verlichte, kleine ruimte die onbewust mijn aandacht trok. Ik draaide mijn hoofd in die richting en werd direct met mijn neus op de feiten gedrukt. Daar stond een kast met vierkante vakken en in die vakken stonden drie loden kisten. Dit was het mortuarium van het fort. De begraafplaats Slaghenaufi was niet heel ver hier vandaan en mijn gedachten gingen weer terug naar de vorige dag. Naar Maria. Ik vroeg me af of zij hier geweest zou zijn om de gewonden of overledenen te halen. Of misschien was zij hier wel door een granaatscherf gewond geraakt of erger nog, dodelijk getroffen. Ik voelde een lichte tocht langs mijn benen trekken en keek achterom, maar de deur zat toch echt dicht.

En weer passeerde ik de kast met loden kisten
Ik liep verder het fort en de gangen in. Hoe verder ik liep, hoe kouder het werd. Na een korte wandeling kwam ik weer terug in het voorgebouw dat uit drie verdiepingen bestond en als museum gebruikt werd. Ik liep nog wat rond en stond er niet alleen versteld van wat hier aan materiaal lag, maar vooral ook wat ze in die tijd al hadden en konden. Ik ging steeds beter begrijpen waarom dit zo’n afgrijselijke oorlog was, met heel veel pijn en leed en met onnodig veel doden. Zwaar onder de indruk liep ik terug naar de uitgang en passeerde wederom de kast met de loden kisten. Ik bleef weer even staan. Hier hadden ze gelegen, de jonge mannen die hun leven gaven voor hun vaderland. Die uitgehakte vierkanten gaten met de loden kisten… Dit maakte de meeste indruk, naast alles wat ik verder gezien had zoals kleding, schrijfblokjes, wapens, de operatiekamer, persoonlijke bezittingen, voedselblikjes, witte bontjassen met bijbehorende schoenen, zonnebrillen, de communicatiekamer (de forten stonden toen al in contact met elkaar), het badhuis voor de officieren en de ontelbare foto’s met evenzoveel grauwe koppen in de brandende zon of tijdens de ijskoude winters. 

“Wie van al deze mannen heeft het fort via deze kast verlaten?” vroeg ik me af. En weer dat briesje, kippenvel. Het voelde alsof er iemand over mijn schouder meekeek. Ik draaide me om, maar zag niets meer dan een lange, donkere gang. Heel voorzichtig liet ik haar naam ontsnappen – “Maria”. Hij echode zachtjes de lange gang in, om vervolgens weg te sterven in de kille leegte van de donkere gang. Achter mij zwol een scheurend geluid aan, de deur ging tergend langzaam open. De warme zonnestralen vielen naar binnen en verblindden mijn ‘mijnwerkersogen’.

“Impressionante”
Ik liep met samengeknepen ogen naar buiten en na een pas of vijf bleef ik even staan. Ik keek nog één keer achterom en zag dat de deur alweer dicht was. Rustig liep ik richting het barretje. De oude man achter de bar begroette me luid. “Ciao, daar ben je weer. Wat vond je ervan?” Ik werd wreed uit mijn droomwereld gerukt en antwoordde kort en op bedeesde toon: “Impressionante”, indrukwekkend. Ik bestelde nog een koffie en een broodje met mortadella en vroeg of hij mijn bidon kon vullen. Nadat ik afgerekend had, nam ik buiten plaats op een stenen bankje in de zon. Hier kon ik alles rustig verwerken en weer een beetje op temperatuur komen. Ik sloeg de koffie achterover en begon aan mijn broodje. Het viel me ineens op hoe groen alles hier was en hoe knalblauw de lucht was vandaag. En die vogels… Hoe blij kan ik toch worden van een paar simpele dingen - en dat op een plek waar zoveel geleden is. Ik nam een paar slokjes van het frisse water uit mijn bidon, pakte mijn fiets en zette de bidon daar waar hij hoorde. Voordat ik mijn fiets richting de Strada Provinciale liet rollen, keek ik nog één keer over mijn rechterschouder naar Forte Belvedere en sprak de onvermijdelijke woorden – “Ciao Maria, ci vediamo.”


zondag 3 mei 2020

Lavarone : na 100 jaar nog bloemen aan je houten kruis



De laatste wolken schurkten zich langzaam een weg omhoog, over de top van de Menador. Ergens achter die laaghangende bewolking en tussen de bebossing lag de Kaiserjägerstrasse verstopt. Die wolken waren een voorbode: niet veel later zou ik ook tegen diezelfde top aan schurken. De Kaiserjägerstrasse is een historisch pad, al is de straat zoals hij nu is nog niet zo oud. Hier ligt al honderden jaren een ‘ezelspad’ om van het Valsugana-dal op het hoger gelegen plateau van Lavarone te komen. Het waren de Oostenrijkers die in 1911 de weg verbreedden en er wat tunneltjes maakten zodat ze hun stellingen konden bevoorraden. Die stellingen stonden er overigens al rond 1870. Het waren de Kaiserjägers die deze weg aanlegden; vandaar de naam Kaiserjägerstrasse. In de jaren 60 van de vorige eeuw is de weg geheel geasfalteerd en zijn op de meest gevaarlijke plekken vangrails geplaatst. Alle reden om daar eens een kijkje te gaan nemen.

Een fenomenaal uitzicht als beloning
Met twee goed gevulde bidons en een gezonde dosis honger naar nieuw avontuur, vertrok ik richting Caldonazzo. Het enige dat ik me had voorgenomen, was de Menador beklimmen en vervolgens de Passo Vezzena. Deze twee klimmen liepen feilloos in elkaar over en het eerste deel begon iets buiten Caldonazzo. Eerst nog lief, maar al gauw ging het stijgingspercentage omhoog en merkte je aan alles dat het een oud ezelspad was. Het leek wel of ze de weg tegen de

buitenkant van deze berg aan hadden geplakt. De ene haakse bocht na de andere diende zich aan en na elke bocht knalde het omhoog. De klim op zich is maar 8 kilometer, maar wel met een gemiddeld stijgingspercentage van maar liefst 9,4%. Ik schurkte mezelf een weg omhoog, net als de wolken eerder deze ochtend. Ik kwam bij de eerste tunnel en stond ervan te kijken hoe smal hij was. Er paste hier maar net een auto door, en dan moest hij vooral niet te breed zijn. Terwijl ik de tunnel inreed, las ik snel een stukje van het bord met daarop de tekst dat deze tunnel gemaakt is door de Kaiserjägers. Toen ik uit de tunnel reed, was het uitzicht fenomenaal. Ik fietste langs het ‘punto panoramico’ waarvandaan je een schitterend uitzicht hebt over twee meren die in het dal gebroederlijk naast elkaar liggen. 

“Dit kan toch niet waar zijn…”
Na vier kilometer klimmen dacht ik lekker gewend te zijn, maar niets was minder waar: vanaf dit punt kwam het niet meer onder de 8,5 %. Het werd echt werken op de vroege ochtend. Na elke kilometer stond langs de smalle weg een bordje met alle informatie over deze klim. Ik keek op mijn tellertje en dacht dat het niet ver meer kon zijn. In de verte diende zich alweer een bordje aan en ik probeerde snel de informatie in me op te nemen. Gelukkig, nog maar 2 kilometer tot de top – maar wel met een gemiddeld stijgingspercentage van 12,1 %. Ik schoot van ellende in de lach. “Dit kan toch niet waar zijn”, zei ik tegen mezelf. Maar al snel werd ik met de keiharde feiten om de oren geslagen en na de eerstvolgende bocht reed ik tegen een muur van 12% aan. Eén ding wist ik zeker: dit zou minimaal 1 kilometer duren. Toen ik boven kwam, keek ik even om me heen en twijfelde ik welke kant ik op moest. Ik volgde de ‘sp133’ richting de top van de Passo Vezzena die 6 kilometer verderop lag. De weg liep in het begin iets af om vervolgens rustig omhoog te gaan. Ik nam de tijd om even goed te eten en te drinken en liet mijn beentjes rustig rondgaan om ze te laten herstellen. De weg naar de top liep heerlijk geleidelijk, met vrijwel geen uitspattingen. Toen ik eenmaal boven was, parkeerde ik mijn fiets en keek nog eens goed om me heen. Het noodlot had hier flink toegeslagen; er lagen hele flatgebouwen aan omgewaaide bomen en hellingen waren compleet kaalgeslagen. Ik besloot om verder te gaan richting de splitsing van de Kaiserjägerstrasse om vanaf daar richting Lavarone te fietsen. 

Hier werden in 1915 75.000 inwoners geëvacueerd
Terug bij de splitsing zette ik koers richting Lavarone, net als de militairen dat begin vorige eeuw gedaan moeten hebben. Er is toen in dit gebied enorm gevochten tussen de Italianen en de Oostenrijkers. Het was vergelijkbaar met de loopgravenoorlog aan het westfront. De weg richting Lavarone liep mooi geleidelijk; aan alles was te merken dat dit een plateau is. De weg ging mooi op en neer en lag er goed bij. Ook hier weer veel plekken met omgewaaide bomen en plekken waar wegwerkzaamheden geweest zijn. Terwijl ik onder een viaduct doorreed, kon ik nog net het spandoek lezen dat er voorlangs was gespannen waarop stond dat het in 2019 100 jaar geleden was dat de bewoners naar dit gebied terugkeerden. Deze tekst triggerde mij. Ik kneep in mijn remmen en fietste terug. Ik las de tekst nog eens goed en nam de informatie met bij behorende foto in mij op.
In 1915 werden 75.000 bewoners uit dit gebied geëvacueerd; zij werden opgevangen in vluchtelingenkampen. Omdat deze kampen al snel vol waren, werden vele van hen doorgestuurd naar andere landen die onder het Oostenrijks-Hongaarse rijk vielen. De meesten kwamen terecht in een voor die tijd modern vluchtelingenkamp in Braunau, Oostenrijk. Vanaf december 1918 konden ze weer terug naar hun geliefde Lavarone, dat toen onder Italiaans bewind was gevallen.

“Het is er een mooie dag voor.”
Ik fietste rustig verder en kon niet anders dan terugdenken aan hoe het er in die tijd aan toe moet zijn gegaan. In wat voor een chaos en blinde paniek de veelal arme boeren huis en haard moesten achterlaten. Toen ik het wonderschone plaatsje Gionghi binnenreed, viel mijn oog op een heel klein houten bordje dat verwees naar het ‘Cimitero Militare Austro-Ungarrico’; de militaire begraafplaats Oostenrijk-Hongarije. Ik fietste een stukje door het dorpje, op zoek naar een bar. En zoals altijd vond ik dat barretje ook nu weer midden in het dorpje. Ik zette mijn fiets met veel precisie tegen een betonnen bloembak voor het terras. Ik stapte over de zware ketting die tussen de bloembakken hing en begroette de mensen op het terras; ik kreeg een vriendelijke groet in het dialect terug. Eenmaal binnen bestelde ik mijn koffie en een zoet broodje en keek ik eens rustig om me heen. Het viel me op dat het druk was met plaatselijke bevolking. Iedereen kende elkaar en de meesten hadden hun best gedaan om er ‘op hun zondags’ uit te zien. Wat me ook opviel, was dat alles verwees naar de bergen – en naar die oorlog. Ik bladerde wat door een plaatselijke krant en werd  meteen met mijn neus op de feiten gedrukt: veel Duitse namen terwijl hier wel Italiaans werd gesproken. Terwijl ik mijn koffie en broodje afrekende, vroeg ik de weg naar ‘il cimitero’. De man wees langs de hoofdweg en zei: “Drie kilometer die kant op, volg de houten bordjes. Je moet in Slaghenaufi zijn. Het is er een mooie dag voor.” Vol verwachting draaide ik mijn fiets, wenste iedereen een fijne zondag en liet mijn fiets het stadje uitrollen.

748 houten kruisen, strak naast elkaar
 Na een kleine drie kilometer kwam ik bij de afslag; ‘il cimitero’ rechtsaf. De weg was zo smal, dat je niet meer zou verwachten dat er nog een dorpje zou komen. Niets was echter minder waar en na 500 meter reed ik Slaghenaufi binnen. Slaghenaufi stelde echt niets voor: vier goed onderhouden boerderijen en een kerkje. Er slingerde een smal weggetje door het dorpje dat behoorlijk opliep. Op het moment dat ik het dorpje weer uitging, liep het geasfalteerde pad zo gemeen omhoog, dat fietsen bijna onmogelijk werd. Niet veel verderop stopte het asfalt en ging het pad over in een soort betonnen pad waar stenen ingelegd waren. Vanaf hier was het nog maar 300 meter. Ik besloot om te voet verder te gaan en liep met de fiets aan de hand in de berm. Echt van harte ging dat niet en ik besloot om mijn schoenen en sokken uit te trekken. Op mijn blote voeten liep ik verder. Eenmaal boven stond ik oog in oog met de begraafplaats en ik werd overvallen door een emotionele schoonheid. Ik keek uit over 748 houten kruisen. Ik parkeerde mijn fiets onder het houten informatiebord en nam een slok lauw water. Op blote voeten betrad ik de begraafplaats. De zon scheen over de houten kruisen en het gras was hier groener dan groen. Het uitzicht was zeldzaam mooi. En daar stond ik, moederziel alleen op 1.280 meter boven zeespiegel. Heel voorzichtig liep ik tussen de kruisen door die strak naast elkaar stonden. Op de meeste kruisen stonden nog de geboortedatum, de datum van overlijden en de naam. Hier lagen vooral Oostenrijkers, Hongaren en Bosniërs, veelal jonge mannen. Op een heuveltje rechts van mij stond een klein houten kapelletje. Ik liep er op mijn blote voeten naartoe. In dit kapelletje werd een kleine dienst gehouden voordat de overledene ter aarde werd besteld. Ik probeerde me daar een voorstelling van te maken, want het kapelletje was zo klein dat er alleen een kist in paste. De dienstdoende pastoor en dragers moesten buiten blijven staan. Vanaf de plek waar het kapelletje stond, had ik een schitterend uitzicht over de begraafplaats. Na een poosje liep ik terug naar de uitgang waar ik nog even bij het informatiebord bleef kijken. Het was mij al opgevallen dat rechts van de begraafplaats een enorme open vlakte was. Hier stond vroeger een groot en voor die tijd een modern, houten ziekenhuis - het ‘Malteser Spital Malga Belem’. Dit hospitaal was destijds toevertrouwd aan de ridders van Malta, een broederschap dat nog steeds bestaat. Het was een immens complex, vlak achter het front van de Altipiani.

Bloemen en een lint dat leek te dansen op de wind
 Ik haalde mijn bidon uit m’n fiets en ging op het bankje zitten dat achter het houten hekje stond. Daar zat ik, in de zon. Ik keek nog eens van links naar rechts naar de 748 houten kruisen. De immense stilte en de schoonheid van deze plek waren op dat moment niet het enige dat me opviel. Aan één van de houten kruisen hingen plastic bloemen en een heel klein lintje in de kleuren van de Italiaanse vlag. Ik bedacht me geen moment, zette mijn bidon op de grond en liep er naartoe. Ik ging naast het houten kruis staan en boog iets voorover en kon nog net de gegevens op het ietwat verweerde plaatje lezen: Maria 1898 – 1918. Ik zuchtte; ze was pas 20 jaar. Ik kreeg kippenvel op mijn armen. Het moet een verpleegster van het aangelegen hospitaal zijn geweest, dacht ik bij mezelf. De burgers waren immers geëvacueerd. Maar wat kon er gebeurd zijn? Een ziekte, een scherf van een granaat op het moment dat ze mee was om gewonden van het front te halen? Ik ging weer op het bankje zitten en probeerde me de chaos voor te stellen zoals het er toen op deze plek uitgezien moest hebben. Exact 100 jaar geleden. Ik herhaalde dat laatste nog een paar keer: 100 jaar geleden, 100 jaar geleden, 100 jaar geleden. Vluchtelingen, evacuaties, gewonden, onschuldigen en vaak te jonge mensen. En 100 jaar later zat ik op een bankje te kijken naar een zeer goed onderhouden begraafplaats die tot op de dag van vandaag wordt onderhouden door de plaatselijke bevolking. Opdat we de slachtoffers van deze oorlog niet mogen vergeten. Tegelijkertijd vroeg ik me af wat we  ervan geleerd hebben. Met mijn fiets in mijn rechter- en mijn schoenen in mijn linkerhand liep ik het bergpad af. En in mijn hoofd dwaalde Maria... Hoe zou ze eruit hebben gezien, welke kleur ogen zou ze hebben gehad? Kwam ze uit de streek of was ze, zoals zo velen, zonder het bijzijn van haar familie begraven? Wat waren haar dromen? Zo veel gedachten, zo veel vragen. Eén ding weet ik zeker: ze moet een groot hart gehad hebben, anders hadden er 100 jaar na dato geen bloemen meer aan haar kruis gehangen. Een gedachte die me een warm gevoel gaf. Ik stopte, keek nog één keer over mijn rechterschouder en zag nog net het topje van het houten kruis met de plastic bloemen en het lint dat voorzichtig leek te dansen op een zomers briesje. Alsof ze me uit zwaaide. Dan weet ik het zeker, dit is het hoogst haalbare in het leven: na 100 jaar nog bloemen aan je houten kruis. 

zondag 5 april 2020

Claudio Chiappucci: de duivel uit Uboldo

Claudio Chiappucci (28 februari 1963) was de zoon van Arduino en Renata Chiappucci. In zijn jonge jaren kreeg hij van zijn vader vaak het verhaal te horen van ‘il Campionissimo’ Fausto Coppi. Zijn vader had namelijk samen met Coppi in de Tweede Wereldoorlog gevochten in het verre Ethiopië. Daar, onder de brandende zon, ontstond een ware vriendschap tussen die twee mannen. Een vriendschap die nog hechter werd toen ze samen in een krijgsgevangenkamp terechtkwamen. Daar deelden ze hun water en eten, sliepen ze samen op de grond en vertrouwden elkaar blind. Uit al die verhalen klonk bewondering, trots en diepgeworteld respect. Respect voor de tengere ‘Campionissimo’ waarmee zijn vader een verschrikkelijke tijd had overleefd. Helaas voor Claudio was Coppi twee jaar voor zijn geboorte overleden zodat hij hem nooit heeft kunnen ontmoeten.

Doorzettingsvermogen en vechtlust
Papa Arduino wist de kleine Claudio te motiveren om ook te gaan fietsen. Hij kreeg een oud fietsje en begon wat wedstrijdjes te rijden. Zijn vader hoopte natuurlijk dat hij in de sporen van Fausto Coppi zou treden, maar Claudio beschikte helaas niet over het talent van Coppi. Wel beschikte hij over een enorme dosis doorzettingsvermogen en vechtlust en daardoor wist de kleine Claudio zich door de amateurs heen te vechten en een profcontract af te dwingen bij Carrera – Inoxpran. Zijn vader was ondertussen ernstig ziek geworden, maar kon gelukkig zijn zoon in 1985 nog wel zien debuteren bij de openingskoers ‘Trofeo Laigueglia’. Terwijl mama Renata bad voor een goede koers voor Claudio, zag zijn vader zijn droom werkelijkheid worden: zijn zoon trad in de sporen van zijn grote vriend ‘il Campionissimo’. Helaas kon hij hier niet lang van genieten; nog geen 15 uur na de koers overleed Arduino Chiappucci.

Zijn naam was gevestigd
De eerste jaren van de profcarrière van Claudio gingen geruisloos voorbij. Hij deed zijn werk als 
knecht en werkte hard voor de ploeg, maar uitslagen werden er niet echt gereden. Tot 1990, het jaar waarin hij het bergklassement van de Giro won door veelvuldig te pas en te onpas te demarreren. Met deze trui op zak vertrok hij naar de Tour de France. 

Vlak na het startschot in de eerste etappe ging hij er met drie medevluchters vandoor: Steve Bauer, Ronan Pensec en Frans Maassen, de latere etappewinnaar. Ze wisten een voorsprong van 10 minuten en 35 seconden bij elkaar te fietsen en deze voorsprong zou de rest van de Tour in zijn greep houden. De eerste acht dagen ging het geel naar Steve Bauer, daarna reed Ronan Pensec twee dagen in het geel. Uitgerekend op de Alpe d’Huez nam Claudio het geel over van Pensec, de plek waar niemand minder dan Fausto Coppi als eerste renner ooit boven kwam. Hij hield de trui vervolgens acht dagen om zijn schouders en stond hem de voorlaatste dag af aan de uiteindelijke winnaar van dat jaar, Greg LeMond. Dit gebeurde in de individuele tijdrit over 45 kilometer die overigens door onze landgenoot Erik Breukink gewonnen werd. LeMond won de Tour voor de derde keer, Chiappucci werd  tweede en Erik Breukink derde. Met die tweede plaats was de naam van Claudio Chiappucci gevestigd. 

‘el Diablo’ was geboren
Al snel kreeg hij de bijnaam ‘el Diablo’ - en dat was niet voor niets. De kleine duivel vloog er te pas en te onpas in, iets dat niet elke kopman kon waarderen. Ondertussen had hij de harten van vele Italianen voor zich gewonnen door in 1991 de klassieker Milaan-San Remo, de Ronde van Baskenland en het puntenklassement in de Giro te winnen. Met deze overwinningen op zak vertrok hij dat jaar naar de Tour, waar dat jaar als 13e etappe een aankomst in Val Louron op het programma stond. In deze etappe zette de kleine duivel tijdens een afdaling de achtervolging in op niemand minder dan Indurain. Aan de voet van de Col d’Aspin wist hij bij de Spanjaard aan te sluiten waarna deze twee nieuwe helden tot op de top van de Val Louron als een machine samenwerkten. Chiappucci pakte de etappe en Indurain het geel waarmee hij zijn heerschappij voor de komende zes jaar inluidde. Claudio pakte de bolletjestrui, maar zijn grootste stunt moest nog komen. 

18 juli 1992, de dag waarop het moest gebeuren – en ook gebeurde
Het was de Tour de France van 1992 en ook nu weer gebeurde het in de 13e etappe. Het was 18 juli en de finishstreep van deze etappe was na 254 kilometer getrokken in Italië. Berg op, in Sestrière. Deze etappe moest met grote letters in de agenda van Claudio hebben gestaan, want het was exact veertig jaar geleden dat ‘il Campionissimo’ daar gewonnen had. Dit was de dag waarop het moest gebeuren. Hoe vaak hij de verhalen van zijn vader had gehoord over hoe Fausto Coppi over de bergen vloog... Coppi, de man waarmee zijn vader in een krijgsgevangenenkamp had gezeten; twee mannen die in de oorlog lief en leed deelden. Claudio had alles in zijn carrière aan het lot van deze twee mannen te danken. Zijn vader had hem helaas nooit zien winnen, maar wat was hij trots dat zijn zoon profrenner was geworden. Voor Claudio was vandaag dé dag om uit te betalen. Om de Italiaanse wielerfans een Touretappe op eigen bodem te schenken. Om onsterfelijk te worden, net zoals Coppi veertig jaar eerder gedaan had. 

Die ochtend vertrokken de renners om 08.45 uur, een de etappe van 254 kilometer met vijf loodzware beklimmingen en met de finish in Sestrière. Op de eerste klim ging Claudio er direct vandoor en kreeg hij een sliert renners achter zich aan. Hij hield het tempo hoog en veel renners konden niet volgen; stuk voor stuk moesten ze ervan af. Het werd een vlucht van meer dan 200 kilometer, waarvan 125 kilometer alleen. Het werd een gevecht tegen de elementen: de brandende zon, de onophoudelijke beklimmingen en de druk van de achtervolgers. Maar niets kon hem ervan weerhouden om in de voetsporen van Fausto Coppi te treden. Dit was zo’n dag dat er geschiedenis geschreven moest worden. In de laatste klim probeerde Indurain nog om dichterbij te komen, maar het was te laat. De berg stond de hele dag al vol met Italianen die helemaal door het dolle waren - hun held kwam eraan! Claudio was ondertussen uitgewoond, maar met de energie en duwtjes van duizenden uitzinnige Italianen kwam hij na 7 uur en 44 minuten solo over de streep waar hij in de armen viel van zijn moeder die net zo uitzinnig was als de rest van de Italianen. En zo won Claudio in Sestrière, exact 40 jaar na de overwinning op diezelfde plek door Fausto Coppi. De winst ging naar de zoon van de man met wie Coppi in de oorlog had gestreden. Claudio won en Indurain pakte het geel dat hij niet meer afstond. Indurain won de tour en in Parijs stond de kleine duivel als tweede op het schavot met ook nu weer de bolletjestrui om zijn schouders.

Een mooie carrière, misschien wel met hulp van boven 
Daarna wint Claudio in 1993 nog de groene trui in de Giro waar hij in het algemeen klassement derde werd. Hij pakte dat jaar ook nog een etappe in de Giro en in de Tour. Een jaar later werd hij tweede op het WK en in de ronde van Lombardije. Daarna ging het langzaam minder met de kleine duivel; zijn positie binnen de ploeg werd overgenomen door een andere kleine klimmer, Marco Pantani. In 1999 hangt hij zijn fiets aan de wilgen, terugkijkend op een mooie carrière: hij behaalde zes keer het podium in een grote ronde, won drie keer de groene trui, twee keer de bolletjestrui en één keer het puntenklassement in de Giro. Ook stond hij negen keer op het podium in een klassieker, met als hoogtepunt winst in Milaan-San Remo. Ook werd hij tweede tijdens het WK van 1994 in Agrigento.

Zijn vader Arduino heeft het nooit mee kunnen maken, maar de vele gebeden van ‘mama Renata’ hebben zeker gehoor gekregen. Claudio Chiappucci haalde meer uit zijn carrière dan van tevoren verwacht werd, en misschien gebeurde dat wel met een beetje hulp van twee oude strijders van bovenaf.





woensdag 19 februari 2020

Colle Del Nivolet - De weg naar il Paradiso




Het was een zomerse ochtend in het Aosta-dal en het was nog vroeg. Zo vroeg zelfs dat de boerderij waar wij een appartementje hadden gehuurd nog in vredige rust was. Onze ontbijttafel lag vol met broodjes, repen, bidons, reservebanden en fruit. Kortom: we waren weer klaar voor een nieuw avontuur. Na het ontbijt plaatsten we de fietsen op het dak van de auto en legden we de nodige spullen achterin. Klaar voor vertrek naar Parco Nazionale Gran Paradiso en naar de Colle del Nivolet. Het werd hoog tijd dat Hans, Jaap en ik daar eens een kijkje gingen nemen. De Colle del Nivolet is geen misselijke klim en we wisten dat we daar gerust een dag voor uit konden trekken. Deze klim ligt midden in het natuurpark Gran Paradiso dat vernoemd is naar de gelijknamige berg in dat park. Een reus van meer dan 4.000 meter hoog met vier gletsjers die alleen via de zuidkant te bereiken is. Voor ons betekende dat eerst 80 kilometer in de auto voordat we überhaupt aan deze klus konden beginnen. En een klus zou het worden…

Geen 40 maar 56 kilometer klimmen
De Colle del Nivolet is een klim van een kleine 40 kilometer met een hoogteverschil van 2.028 meter en een gemiddeld stijgingspercentage 4,9%. Niet schrikbarend veel, maar met de verschillende vlakke stukken en hier en daar wat vals plat weten de klimmers onder ons genoeg. Veel schommelingen met hoge uitschieters tot 15%. Kortom, een sloophamer die geen genade kent.

Toen wij na bijna 80 kilometer rijden in de buurt van het beginpunt kwamen, opperde Hans om de auto iets voor de klim in een dorpje neer te zetten. Jaap en ik vonden dat een goed idee en dus parkeerden we de auto in Vasetto. Vanaf daar fietsten we richting Locana, een rit van zo’n 16 kilometer waarin we onze beentjes rustig los wilden fietsen. Tot mijn grote schrik bleek de weg al vanaf het vertrek met enige regelmaat gemeen omhoog te gaan – niks rustig inrijden dus. Het was continu vals plat, waarbij de weg soms even afliep om vervolgens direct weer 4 à 5% te stijgen. Als je de benen ook maar even stilhield, werd je onmiddellijk afgestraft. Op ons gemak lekker in het ritme komen was er dus niet bij. Met deze eerste 16 kilometer werd de klim dus eigenlijk al met datzelfde aantal verlengd. 

Ik nam me voor om in elk geval de eerste 20 kilometer bij Jaap en Hans te blijven omdat het anders wel een hele lange en eenzame dag zou worden. Ik had in het voorjaar niet veel kunnen trainen, dus ik was nog niet echt in goede doen. Eerlijk gezegd wist ik eigenlijk helemaal niet of het wel zo verstandig was om deze klim te ondernemen... Ondanks het harken in die eerste kilometers kon ik wel genieten van het ongerepte landschap. Overal om me heen hoorde ik de vele watervallen en riviertjes. Wat ook opviel, waren de versieringen van de Giro die dit jaar ook naar de Colle del Nivolet ging. Niet helemaal tot de top, maar slechts tot Lago Serru op 2.275 meter; vanaf daar was de weg namelijk nog afgesloten omdat deze bedekt was met een meter sneeuw.

Maurice Garin, een renner uit de streek
Na een kilometer of tien fietsten we langs een groot bord met een schitterende oude foto van een renner uit een ver verleden, Maurice Garin. ‘Een renner uit deze streek’ stond er in het Italiaans onder. “Een renner uit deze streek”, herhaalde ik in gedachten en het duurde even voordat het kwartje viel. “Maurice Garin was toch de eerste tourwinnaar? En hij kwam toch uit Noord-Frankrijk?” Ik was in staat om om te draaien om de zin onder de foto nog een keer te lezen: Ciclista di questa regione – en dat betekende toch echt ‘renner van deze streek’. Hoe zat dat?

Eenmaal terug in ons appartement heb ik het opgezocht: 
Maurice Garin, geboren op 3 maart 1871 te Arvier in Italië. Het gezin Garin verhuisde in 1885
naar Noord-Frankrijk, naar het stadje Maubeuge dat vlak bij de Belgische grens ligt. Maurice ging daar werken als schoorsteenveger, net als zijn vader. Door zijn tengere postuur kreeg hij al snel de bijnaam ‘de kleine schoorsteenveger’. In 1892 begon Maurice met wielrennen - en dat deed hij zeer verdienstelijk. De toen nog monsterlijke afstanden die de renners moesten afleggen, lagen hem met zijn tengere lichaam goed. Hij won het werelduurrecord, de 500 kilometer op de weg, een wedstrijd in Parijs over 800 kilometer en in 1901 won hij Parijs-Brest, een wedstrijd over maar liefst 1.200 kilometer. Hij reed deze afstand in 52 uur en 11 minuten. Deze wedstrijden won hij overigens als Italiaan. Pas op 30-jarige leeftijd kreeg hij de Franse nationaliteit en in 1903 verscheen hij als Fransman aan de start van de Tour de France. Van de 60 coureurs die meededen, haalden slechts 21 de eindstreep. Het was een parcours van 2.428 kilometer, verdeeld over zes etappes. Maurice won drie van de zes etappes, waaronder de laatste etappe over 471 kilometer; dit deed hij in 18 uur en 9 minuten en daarmee had hij 10 seconden voorsprong op de nummer twee. In het eindklassement had hij een voorsprong van maar liefst 2 uur en 59 minuten - de grootste voorsprong ooit. En zo ging deze kleine schoorsteenveger op 32-jarige leeftijd de boeken in als eerste Franse Tourwinnaar. 

Het wonderschone landschap voor mij alleen
Weer terug naar de rit van vandaag, waarbij we inmiddels al een lekker eind onderweg waren. Jaap en Hans had ik laten gaan; ik ging op zoek naar mijn eigen ritme. Overigens fiets ik in een dergelijk wonderschoon landschap ook graag alleen. Ondanks het afzien en de continue druk met de bijbehorende pijn in m’n benen, voelde ik me hier als een vis in het water. Groene berghellingen, watervalletjes die langzaam de scherpe kantjes van de rotsen slijten, roofvogels die in de strakblauwe lucht zweven, de weg die langzaam voor me uit omhoog kronkelt en na elke bocht weer een andere bocht met zijn eigen verhaal - ik geniet ervan. 

De vrijheid van alleen ik en mijn fiets
In de verte doemde een tunnel op. “Ha, ha”, dacht ik, “deze keer laat ik me niet foppen!” Gewapend met lampjes ging ik de strijd met deze lange donkere weg aan die maar liefst vier kilometer lang was en af en toe gemeen omhoog liep. Toen ik de tunnel uitkwam, stonden Hans en Jaap tot mijn grote verbazing op mij te wachten. “Hey mannen, jullie hoeven niet op mij te wachten hoor. Ik zie jullie boven wel.” “Jawel”, zeiden ze, “dat vonden we toch wel fijn en wij waren elkaar ook al kwijt.” Ik keek Hans voorzichtig aan en zei “Lekker klimmetje hè?” “Man..”, zei hij, gevolgd door een diepe zucht. Kortom, Hans had het ook zwaar. Jaap had haast en maakte alweer aanstalten om verder te rijden. Hij zei niks, maar zat al wel weer ingeklikt. Al snel zaten we alle drie weer in ons eigen ritme en reden we weer ieder voor zich. Ik vond dat prima; zoals gezegd was ik niet in de goede doen en dan fiets ik graag alleen. Om alleen de strijd aan te gaan met de elementen – met de berg en met het weer, maar bovenal met mezelf. Hoe hoger ik kwam, hoe beter ik me ging voelen. Dat is bij mij eigenlijk altijd zo; ik weet niet wat dat is, maar als ik eenmaal hoog in de bergen ben, dan gebeurt er iets met me.
De vrijheid van alleen ik met mijn fiets. Hoe stijl of lang die berg ook is. Zon, regen of sneeuw – niets houdt me tegen. Boven op die berg kom ik mezelf tegen, altijd. 

Nog één bochtje
Ondertussen leek het wel of ik in het paradijs terecht was gekomen. Ik had het Lago Serru allang achter me gelaten en was in een landschap beland dat zo mooi was, dat je in een keer begreep waarom dit park Gran Paradiso heette. Je moest overigens wel een flinke strijd leveren om in dit paradijs te komen. Vanuit de sneeuwwallen aan de kant van de weg ontsnapten her en der kleine riviertjes die diagonaal over de weg richting het dal stroomden.
De zon schitterde in het smeltende water en deed pijn aan je ogen. Het kon nu niet ver meer zijn. Mijn benen werden zo af en toe lekker gekoeld door het opspattende smeltwater. Het blijft toch altijd bijzonder om in juli in de sneeuw te fietsen. Tussen de sneeuwwallen door zag ik Jaap en Hans in de verte staan en dat betekende dat ik bijna op de top was. “Nog één bochtje” zei Jaap. En inderdaad daar stond het bord: Colle del Nivolet, 2.612 meter. We namen de verplichte kiekjes en kletsten wat. Al gauw besloten we om af te dalen naar de eerste de beste berghut waar we wat konden eten. We hadden alle drie honger en waren behoorlijk uitgeput. Na drie kilometer dalen, stopten we bij een berghut. We besloten om binnen onze lunch te nuttigen; het was ondertussen behoorlijk afgekoeld en we wilden wel warm blijven.

“79 kilometer – dat kon toch niet?”
Na een klein half uur stonden we weer buiten en gewapend met windstopper en armstukken trokken we weer ten strijde. Wij wisten toen nog niet wat ons boven het hoofd hing, al hadden we wel een vermoeden toen we naar de lucht keken: de eerste grijze wolken hadden zich al tussen de bergtoppen verzameld. Ook zagen we in de verte de eerste regen al uit het donkere wolkendek vallen. In volle concentratie daalden we af. Hij liep lekker; het asfalt was goed onderhouden, de stukken waren niet te steil en er waren mooie overzichtelijke bochten. Voor we het wisten, stonden we weer voor die lange tunnel. Ik dook er zonder overleg als eerste in. Ik had m’n lampjes ontstoken en de tunnel zelf was ook goed verlicht, dus je kon de fiets lekker laten lopen. In de verte doemde een snelheidsbord op en voor ik het wist, was het bord alweer achter ons. Maar, zag ik dat nou goed? Nee, dat kan toch niet… 79 kilometer stond erop. Dat kan toch niet? “Ik was het in elk geval niet”, zei ik tegen mezelf. In de verte doemde het eind van de tunnel op. Wat was daar aan de hand? Er liepen mensen en er stonden motoren aan de andere kant van de weg. Ik minderde iets snelheid,  maar het eind van de tunnel was er toch sneller dan ik had verwacht. Met een gangetje van 60 kilometer per uur reed ik vol in een muur van hagelstenen. Het was alle hens aan dek! 

Toen we samen de tunnel uitreden, was de hagel overgegaan in regen en we stopten bij een bar die we passeerden. Daar hoorden we van de aanwezige plaatselijke ouderbond dat dit nog wel even aan zou houden en dat we maar beter door konden fietsen, anders zouden we het alleen maar koud krijgen. We besloten om maar snel weer door te rijden. “Het regent toch niet meer zo hard”, zei Hans. Bij het wegrijden kwam Hans voor een vrachtauto te zitten en Jaap en ik zaten erachter. Alsof dat nog niet erg genoeg was, zaten we ook achter twee Italianen die het hoofdstuk ‘dalen in de regen’ niet hadden begrepen. We hielden deze twee piloten op veilige afstand voor ons en zagen de vrachtauto langzaam kleiner worden. Op een iets langer recht stuk zag ik mijn kans schoon en voor de eerstvolgende bocht was ik ze voorbij gestoken. Ik zette de achtervolging in op de vrachtauto, met Hans daar voor. 

We hadden aan één blik genoeg: de gaskraan ging open
Wat ik toen nog niet wist, was dat de twee Italianen mijn wiel hadden uitgekozen en dat Jaap daar weer op gepaste afstand achter zat. Het duurde niet lang of ik had de vrachtwagen in het vizier. De vrachtwagenchauffeur had ons in zijn spiegel; hij zette zijn wagen bij de eerste de beste gelegenheid aan de kant zodat wij veilig konden passeren. Ik keek een keer achterom en zag de twee mannetjes strak in mijn wiel zitten. Jaap zat daar op een metertje of vijf al nee-schuddend achter. Ik wist wat mij te doen stond. De regen kwam nog steeds met bakken uit de hemel, maar ik probeerde de druk bij onze meesluipers op te voeren. We waren bijna onder aan de klim en er kwamen nu ook stukken die wat vlakker waren of zelfs iets omhoog liepen. Het was op zo’n stuk dat Jaap zijn kans schoon zag en naast me kwam fietsen. We keken elkaar aan en hadden aan één blik genoeg - de gaskraan ging open. Jaap en ik reden kop over kop in één streep naar Hans. Eenmaal bij Hans aangekomen, hadden we even kort overleg. Terwijl onze voeten een warme douche van het opspattende water kregen, besloten we om de laatste 20 kilometer volle bak door te rijden. Kortom, het was koers. En zo gebeurde het dat de drie musketiers uit het noorden er een moordend tempo op na hielden. Al lag het water 10 centimeter hoog in de straten, de teller kwam niet meer onder de 40 kilometer per uur. Kop over kop reden we het dal in. Al hadden onze medereizigers ook maar één keer kopwerk willen verrichten, ze kwamen er niet aan te pas. 

Wat moeten die Italianen wel niet gedacht hebben…
Bij het binnenrijden van Locana hoorden we dat het in de verte begon te rommelen. Hans bromde wat om zich heen, maar werd er niet vrolijker van en gaf er nog maar een keer een snok aan. Bij de twee Italiaantjes moest zo langzaamaan het licht toch ook een keer uitgaan, maar ook zij wilden natuurlijk snel naar huis in dit beestenweer. Vasetto was niet ver meer, maar het onweer kwam ook dichterbij. Voor ons het sein om er toch nog een laatste keer een klap op te geven. Waar we het vandaan haalden, weten we trouwens tot op de dag van vandaag nog steeds niet. Bij het binnenrijden van Vasetto zette Hans zich op kop en hij wist de weg naar de parkeerplaats in één streep terug te vinden. Bij de laatste rotonde namen de twee Italianen een andere afslag en nadat ze uit ons wiel bolden, stonden ze ook gelijk geparkeerd. We hadden graag willen weten wat die twee mannen tegen elkaar te zeggen hadden. Met 110 kilometer op de teller en tot op het bot doorweekt, kwamen we aan bij de parkeerplaats. Een ieder deed zijn ding: voorwiel eruit, fiets op het dak, wielen in de auto, helmen, schoenen in de achterbak en droge kleren aan. Voor we het wisten, zaten we in de auto. Hans startte de auto, stuurde hem de parkeerplaats af, het dorp uit en het dal in. Het was stil in de auto, muisstil. We waren voor even gevangen in ons eigen moment. Bij het verlaten van Vasetto zei Hans uit het niets: “Wat moeten die twee Italianen wel niet gedacht hebben?” Even bleef het stil, maar al gauw barsten we in lachen uit.




Punta Marina Terme

  Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren...