dinsdag 7 juli 2020

Terug naar het front


Toen ik na mijn bezoek aan de begraafplaats van Slaghenaufi wegfietste, ging er een briesje door mijn haar dat ik toeschreef aan de mysterieuze en veel te vroeg overleden Maria. De hele terugweg en de rest van de avond bleef ze door mijn hoofd dwalen - alsof ik gevangen was door een muze. Ze wakkerde een nieuwsgierigheid in mij aan, die ik niet onbeantwoord kon laten en op internet dook ik de geschiedenis in. De geschiedenis van La Grande Guerra.
Het voelde alsof zij me bij de hand nam om dit als het ware samen te doen. 

Een stukje geschiedenis
Ik kwam erachter dat ik hier vlak achter het front zat waar beestachtig gevochten was. De Oostenrijkers waren tussen 1876 en 1895 begonnen om forten op Italiaans grondgebied te bouwen. De Italianen voelden er niet veel voor om deze indringers terug te dringen. Ook toen de grote oorlog losbarstte, wilden ze neutraal blijven. Ondertussen hadden zij toch ook hun stellingen in de bergen opgetrokken. Niet omdat ze ten strijde zouden trekken, maar omdat ze iets duidelijk wilden maken: Tot hier en niet verder. 

Het Oostenrijkse rijk vocht in het begin aan twee fronten: het oosten en westen en werd daarbij gesteund door de Duitsers. Toen de geallieerden bij de Italianen aanklopten om ook ten strijde te trekken zodat de Oostenrijkers op drie fronten bestookt konden worden, hoefden ze daar niet lang over na te denken. De Italianen waren immers afhankelijk van de aanvoer van kolen uit het  Verenigd Koninkrijk, maar belangrijker nog: de geallieerden gaven toe aan de eisen die de Italianen stelden. Als wederdienst wilden zij na de oorlog Trentino, Triëst, Istrië en de Dalmatische kuststreek. 

En zo geschiedde dat Italië op 23 mei 1915 ten strijde trok en geheel onverwacht toesloeg. Wat volgde was een lange en bittere stellingenoorlog, boven in de bergen. Het front zat al gauw muur en muur vast - nog vaster dan in Noord-Frankrijk en in Vlaanderens veld. De omstandigheden waren helser dan men kon bedenken. Alle bevoorradingen werden door ezels en mankracht gedaan, maar ook honden werden gebruikt om karretjes met lichtere spullen naar boven te brengen. De winters van 1916 en 1917 waren lang en streng en kenden de meeste sneeuwval ooit in die regio gemeten, met temperaturen van wel -40 graden. Hierdoor liepen de bevoorradingen erg stroef, maar de militairen van La Grande Guerra waren hun tijd ver vooruit en waren zeer inventief. Op plekken waar het kon, bouwden ze in 1916 al de eerste liften en niet veel later liepen de eerste kabelbanen naar de toppen van de bergen om daar de legers te bevoorraden. De Oostenrijkers sloegen tegen het eind van La Grande Guerra volkomen onverwacht en hard toe. Met hulp van de Duitsers braken ze ver door de linies heen en kwamen bijna tot in Venetië. De Italianen kregen op hun beurt hulp van de Engelsen en sloegen hard en meedogenloos terug en drongen de vijand bijna terug tot op eigen grondgebied. Dit was een enorm succes voor het Italiaanse leger en niet veel later werd de vrede getekend. In het Italiaanse leger zei men gekscherend: “Weten we eindelijk hoe we moeten vechten, is de oorlog voorbij.”

Het Italiaanse leger dat eigenlijk niet goed voorbereid was en onverwacht ten strijde was getrokken, bestond onder andere uit arme boeren die vanuit het zuiden en midden van het land kwamen. Zij vochten voor de eer en voor het toen nog jonge vaderland. Ze waren amper getraind en werden buitengewoon wreed behandeld. De straffen voor het minste of geringste logen er niet om en een executie van eigen manschappen werd niet gevreesd. Italië verloor in deze strijd 600.000 mannen. De verliezen aan Oostenrijkse kant waren nog veel groter (1.300.000 soldaten), maar zij vochten dan ook aan drie fronten.

Op weg naar Lavarone, naar hun front
De dag na mijn eerste bezoek aan de begraafplaats besloot ik om al vroeg op pad te gaan. In de ochtendmist trok ik over de Menador, op weg naar het front - net zoals de Kaiserjägers dat een goede 100 jaar geleden ook gedaan moeten hebben. Ik was weer op weg naar Lavarone. De klim kostte me deze ochtend beduidend minder moeite; ik wist nu wat er komen zou. In mijn hoofd speelde zich bovendien een film af hoe die mannen ruim 100 jaar geleden hier enorm hadden afgezien. Ik was op weg naar hun front. Boven op de Menador ging ik rechtsaf, richting Lavarone en Forte Belvedere dat één van de best bewaarde forten van La Grande Guerra is. Niet veel later fietste ik weer onder dat doek door met de tekst dat het 100 jaar geleden was dat de gevluchte bewoners naar hun eigen streek teruggekeerd waren. Met dank aan mijn zoektocht op internet had ik er nu een beeld bij hoe 75.000 overwegend arme boeren huis en haard hadden verlaten. 

En daar, daar stond Forte Belvedere
Niet veel later reed ik Gion

ghi binnen. Ik reed door naar het centrum en ging daar linksaf. Het plaatselijke barretje liet ik nu ook letterlijk links liggen en ik fietste verder op de Strada Proviciale 216. Deze weg bracht mij tot buiten het dorp en niet veel later was daar de afslag naar Forte Belvedere. Een smalle weg liep tussen de bomen omhoog; het was een korte maar redelijk steile klim met weinig bochten. En daar stond het, Forte Belvedere. Het was zo te zien nog in perfecte staat. In het voorgebouwtje zat een bar met een klein winkeltje. Ik liep met fiets en al naar binnen en vroeg aan de man die daar werkte, of ik mijn fiets daar mocht stallen. Dat was geen probleem. “Zet hem hier maar neer”, zei hij terwijl hij naar een plekje in de hoek naast de bar wees. Ik bestelde een koffie en kon mijn blik niet afhouden van de vitrine met de overheerlijke zoete broodjes. “Doe er maar één met crème”, zei ik. Ondertussen deed ik andere schoenen en een jasje aan. Ik had gelezen dat het in het fort fris kon zijn. Het waren vooral gangenstelsels die ze uit de rotsen hadden gehouwen en alleen de voorkant was opgemetseld met dikke stenen. Nadat ik mijn koffie en broodje genuttigd had, ging ik bij de kassa in de rij staan. Toen ik aan de beurt was, vroeg ik in mijn beste Italiaans om één kaartje. Ik had geen contant geld bij me en wilde dus met pin betalen. Na twee pogingen pakte de man mijn pas om hem op te poetsen en zag tot zijn verbazing dat het een buitenlandse betaalpas was. “Ja, je bent hier in Italië hè. Niet alles werkt hier.” Ik voelde toch weer even het oude zeer van deze streek boven komen. Ik stelde de man gerust en zei: “Ik kom uit Nederland en daar doet de pin het ook niet altijd.” De man keek verbaasd, de pinautomaat zei ‘piep’ en we wensten elkaar lachend een fijne dag.

Ik draaide mijn hoofd en werd met mijn neus op de feiten gedrukt
Daar stond ik, voor de ingang van Forte Belvedere. Een groot, grijs en log gebouw met links en rechts het nodige wapentuig. Met wat gekraak en gepiep opende ik de stalen deur en het zonlicht viel over mijn schouders de donkere ruimte binnen. Ik liep mijn schaduw achterna het fort in en stond vervolgens in een koud en donker halletje. De deur viel met een plof achter me dicht. Rechts van me was een slecht verlichte, kleine ruimte die onbewust mijn aandacht trok. Ik draaide mijn hoofd in die richting en werd direct met mijn neus op de feiten gedrukt. Daar stond een kast met vierkante vakken en in die vakken stonden drie loden kisten. Dit was het mortuarium van het fort. De begraafplaats Slaghenaufi was niet heel ver hier vandaan en mijn gedachten gingen weer terug naar de vorige dag. Naar Maria. Ik vroeg me af of zij hier geweest zou zijn om de gewonden of overledenen te halen. Of misschien was zij hier wel door een granaatscherf gewond geraakt of erger nog, dodelijk getroffen. Ik voelde een lichte tocht langs mijn benen trekken en keek achterom, maar de deur zat toch echt dicht.

En weer passeerde ik de kast met loden kisten
Ik liep verder het fort en de gangen in. Hoe verder ik liep, hoe kouder het werd. Na een korte wandeling kwam ik weer terug in het voorgebouw dat uit drie verdiepingen bestond en als museum gebruikt werd. Ik liep nog wat rond en stond er niet alleen versteld van wat hier aan materiaal lag, maar vooral ook wat ze in die tijd al hadden en konden. Ik ging steeds beter begrijpen waarom dit zo’n afgrijselijke oorlog was, met heel veel pijn en leed en met onnodig veel doden. Zwaar onder de indruk liep ik terug naar de uitgang en passeerde wederom de kast met de loden kisten. Ik bleef weer even staan. Hier hadden ze gelegen, de jonge mannen die hun leven gaven voor hun vaderland. Die uitgehakte vierkanten gaten met de loden kisten… Dit maakte de meeste indruk, naast alles wat ik verder gezien had zoals kleding, schrijfblokjes, wapens, de operatiekamer, persoonlijke bezittingen, voedselblikjes, witte bontjassen met bijbehorende schoenen, zonnebrillen, de communicatiekamer (de forten stonden toen al in contact met elkaar), het badhuis voor de officieren en de ontelbare foto’s met evenzoveel grauwe koppen in de brandende zon of tijdens de ijskoude winters. 

“Wie van al deze mannen heeft het fort via deze kast verlaten?” vroeg ik me af. En weer dat briesje, kippenvel. Het voelde alsof er iemand over mijn schouder meekeek. Ik draaide me om, maar zag niets meer dan een lange, donkere gang. Heel voorzichtig liet ik haar naam ontsnappen – “Maria”. Hij echode zachtjes de lange gang in, om vervolgens weg te sterven in de kille leegte van de donkere gang. Achter mij zwol een scheurend geluid aan, de deur ging tergend langzaam open. De warme zonnestralen vielen naar binnen en verblindden mijn ‘mijnwerkersogen’.

“Impressionante”
Ik liep met samengeknepen ogen naar buiten en na een pas of vijf bleef ik even staan. Ik keek nog één keer achterom en zag dat de deur alweer dicht was. Rustig liep ik richting het barretje. De oude man achter de bar begroette me luid. “Ciao, daar ben je weer. Wat vond je ervan?” Ik werd wreed uit mijn droomwereld gerukt en antwoordde kort en op bedeesde toon: “Impressionante”, indrukwekkend. Ik bestelde nog een koffie en een broodje met mortadella en vroeg of hij mijn bidon kon vullen. Nadat ik afgerekend had, nam ik buiten plaats op een stenen bankje in de zon. Hier kon ik alles rustig verwerken en weer een beetje op temperatuur komen. Ik sloeg de koffie achterover en begon aan mijn broodje. Het viel me ineens op hoe groen alles hier was en hoe knalblauw de lucht was vandaag. En die vogels… Hoe blij kan ik toch worden van een paar simpele dingen - en dat op een plek waar zoveel geleden is. Ik nam een paar slokjes van het frisse water uit mijn bidon, pakte mijn fiets en zette de bidon daar waar hij hoorde. Voordat ik mijn fiets richting de Strada Provinciale liet rollen, keek ik nog één keer over mijn rechterschouder naar Forte Belvedere en sprak de onvermijdelijke woorden – “Ciao Maria, ci vediamo.”


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Punta Marina Terme

  Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren...