maandag 22 juli 2024

Punta Marina Terme


 


Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren is nog goed voelbaar; de hang naar avontuur was duidelijk iets te groot voor de huidige vorm. De dames in het vakantiegezelschap gaan vandaag een centro commerciale bezoeken en dat geeft mij de kans om er rustig op uit te trekken. Niet op de fiets, maar te voet deze keer. Ze zijn nog maar net weg, of trek ik de deur al achter me dicht. Ik vertrek richting het strand en ga vanaf daar richting Lido Adriano.

 

Slenterend onderweg naar Lido Adriano

Vanaf ons vakantieadres is het maar een paar minuten lopen naar het strand. Eenmaal daar aangekomen, doe ik m'n slippers uit en loop over het zand naar de vloedlijn. Naar Lido Adriano is het nog een kleine vier kilometer. Afwisselend loop ik met m’n voeten in zee en over het strand. Het is nog niet druk. Wat me opvalt, is dat de ‘locals’ er al vroeg bij zijn. Sommigen spelen beach tennis, anderen wandelen in stevige tred over het strand. En ik? Ik loop wat te slenteren en sta om de haverklap stil, kijk om me heen en geniet. Iets verderop wordt een moeder 'ingegraven' terwijl ze rustig een boekje leest. Ze wordt omgetoverd tot zeemeermin: ze wordt bedekt met zand, dat vervolgens met de mooiste schelpen versierd wordt.


Ik loop door en niet veel verder zie ik een aangespoelde boomstam liggen. Ik stop en bekijk ‘m eens goed. Hij heeft overduidelijk al een mooie tijd in zee gelegen. De onderkant is niet afgezaagd, maar afgebroken; dat is duidelijk te zien. Terwijl ik ernaar kijk, komen tal van vragen bij me naar boven: Waar komt het vandaan? Is het overboord geslagen of tijdens een storm afgebroken en de halve wereld afgedreven om ergens in de Adriatische zee aan te spoelen? Achter elke boomstam of tak zit een verhaal - en dat intrigeert me. Het wat en waarom. Daarom kijk ik ook altijd zo graag naar mensen, om hun eigenaardigheden te ontdekken.


Met de boomstam nog in m’n achterhoofd, loop ik verder en ik merk dat de temperatuur al aardig oploopt. Lido Adriano is niet ver meer. Op dit stuk staan weer meer strandtenten en de hoge bebouwing van Lido Adriano is al goed te zien. Tussen twee strandtenten door loop ik richting de boulevard om een kijkje te nemen bij wat winkeltjes. Als ik langs een farmacia loop, schrik ik van de temperatuur die daar op het bord staat: 32 graden. Via de schaduwkant loop ik verder en ik besluit om voor de terugweg alvast een hoedje en een klein flesje zonnebrand te kopen.

 


Een spaghetti alle vongole, acqua frizzante en witte wijn
Nadat ik de hoognodige attributen gescoord heb, is het tijd om de inwendige mens te verzorgen. Ik ga op zoek naar een strandtentje met restaurant en vind er een waar de nodige locals al van hun lunch genieten. Aan de achterkant vind ik een mooi plekje met uitzicht op zee. Ik zit nog niet of er komt al een serveerster naar me toe. “Wilt u de kaart zien?” vraagt ze. “Heeft u ook spaghetti alle vongole?”, vraag ik. “Ja, natuurlijk”, zegt ze. “Dan hoef ik geen kaart. Graag spaghetti alle vongole, een halve liter acqua frizzante en een kwart liter witte wijn.” Een maaltijd waar je me altijd voor wakker kunt maken. Als dit goed bereid is, próef je Italië. 



Het is een koddig gezicht, dat oude vrouwtje dat baldadig met het servies schuift
Niet veel later komt ze terug met het water en de karaf wijn. Terwijl ze de tafel dekt, praat ze met een andere gast; de twee dames lijken elkaar goed te kennen. Ik kijk om me heen. Het is een verzamelplaats voor locals, jong en oud. Iedereen kent elkaar hier. De vrouw die met de serveerster staat te praten, vraagt me in het voorbij gaan of het windje voelbaar is. Ik antwoord dat het hier in de schaduw prima is en hef m’n glas. Even later komt ze terug met haar moeder, die een plekje aan de tafel naast me krijgt. “Mama, blijf hier even zitten; ik kom zo”, zegt de vrouw. De oude vrouw bedenkt zich echter geen moment, staat op en begint haar tafel opnieuw te dekken. Het is een koddig gezicht, dat oude vrouwtje dat baldadig met het servies schuift. Ze kijkt me een paar keer ondeugend aan en ik moet vreselijk lachen. Meer aanmoediging om lekker door te gaan heeft ze niet nodig.

Ondertussen wordt mijn koningsmaal geserveerd en verschijnt ook de dochter van de oude vrouw weer ten tonele. Ze brengt het werk van haar moeder weer terug in originele staat. “Wil je ook vongole?” vraagt ze, terwijl ze naar mijn bord wijst. Moeders heeft daar geen zin in en maakt duidelijk dat ze hier niet wil lunchen, maar naar huis wil. Geen goede keus als je het mij vraagt, want de vongole zijn verrukkelijk.


Oma draagt een huisjurkje, maar is haar tandjes vergeten
Het terras is inmiddels behoorlijk vol. Links van mij heeft een hele familie plaatsgenomen. Oma aan het hoofd, links en rechts een kleindochter, een vader en moeder en opa tegenover haar. Met haar lichaamstaal maakt oma duidelijk dat het hoofd van de tafel aan haar kant van de tafel is en zeker niet ertegenover. Ik probeer te ontdekken waar ze vandaan komen. Ze praten luid en met een zwaar dialect. Dat moet iets uit het zuiden zijn. Ook de uitbundigheid en kledingstijl zijn niet uit deze streek: dikke gouden kettingen, opa met een Prada bril en de zoon met een te dikke klok. De kleindochters zijn iets te schaars en een tikkie ordinair gekleed. Oma draagt een huisjurkje, maar is haar tandjes vergeten. Opa zit met een ontbloot bovenlichaam aan tafel, maar de afdruk van zijn hemdje is nog duidelijk zichtbaar. 


“Grazie Signoo, grazie.”
Het is net een tafereel uit een film; de types zou je niet beter kunnen casten. Ze laten van alles aanrukken: wijn, cola en water en er moet ook een goede antipasta komen, want opa heeft honger. Ik heb m’n bord leeg en neem een laatste slok van m’n wijn die ondertussen lauw is geworden. Om nog wat langer van de Italiaanse B-film aan de tafel naast me te kunnen genieten, bestel ik een koffie. Terwijl de serveerster de koffie brengt, vraagt opa aan de vriendin van zijn zoon: “Waar zijn je dochters geboren, in Napels of in Brazilië?” En deze ene vraag van opa geeft mij alle antwoorden. Ik leg € 20,- op de rekening die op tafel ligt en sta op. Ik zet m’n hoedje op, schuif de stoel aan en kijk nog eens goed naar de Napolitaanse familie. Wat een schitterend tafereel. Ik loop richting het strand en als ik de tafel met het bonte gezelschap passeer, wens ik ze nog een fijne voortzetting. Dit wordt door opa luidkeels beantwoord met een “Grazie Signoo, grazie”.

 


    


donderdag 16 juni 2022

Terug naar Piemonte, Cavatore

Het is alweer twee jaar geleden dat ik voet op Italiaanse bodem heb gezet en nu is het eindelijk weer zover: samen met vrienden gaan we naar Valcrosa, een B&B in de bergen van Piemonte, vlak bij de schitterende stad Acqui Terme. De Romeinen hebben ‘Aquae Stattielae’ in 173 voor Christus gebouwd, aan een belangrijke doorgangsroute richting Turijn. Het dankt zijn naam trouwens aan de door de Romeinen gebouwde thermaalbaden, die in die tijd de belangrijkste van het rijk zijn. Bij een eerder bezoek aan deze indrukwekkende streek heb ik me voorgenomen hier nog weer een keer naartoe terug te gaan. En hoe mooi is het, dat ik dat samen mét en bíj goede vrienden ga doen.

 

Een hoop gezwaai en een vreugdedansje 

Vanuit het dal slingert een smal weggetje tegen de berg omhoog, richting het voormalige klooster waarin nu B&B Valcrosa gevestigd is. De omgeving doet me sterk denken aan de streek waar mijn familie vandaan komt. Grillig, maar wel goed begroeid met veel bomen en met gras dat nog knalgroen is. Aan alles zie je dat de temperatuur hier in de zomer flink kan oplopen. Na een kleine kilometer zijn we bijna boven en stuur ik de auto door de laatste haarspeldbocht. Mijn ogen volgen het slingerweggetje dat trouwens meer uit grind dan uit asfalt bestaat en ik zie het schitterende pand. De auto kruipt de laatste meters rustig omhoog en Ugo en Pia staan al voor het oude klooster, hun B&B. Ik laat de claxon tussen de bergen weerkaatsen en het antwoord is een hoop gezwaai en een vreugdedansje. 

 

Ik draai me om en kijk om me heen

Nadat we elkaar uitbundig begroet hebben, lopen we over het terras dat aan een binnenplaats doet denken naar de achterkant van het eeuwenoude pand. Vanaf daar kijken we uit over weideland, dat omhoog loopt tot aan de verderop gelegen bosrand. Stomverbaasd nog over de schoonheid ervan, loop ik het zandpad een stuk omhoog, richting de bosrand. 

 

Onze hond Pip is ook mee en ze volgt me op de voet. Voor haar is het eigenlijk ook een bijzondere reis: ze is voor het eerst weer terug op geboortegrond – en dat doet me toch wel wat merk ik. Bij Pip maakt het ook wat los en ze doet haar behoefte in het hoge gras. Samen lopen we nog een stukje verder en na een meter of honderd draai ik me om en kijk ik uit op het oude klooster. Ik kijk om me heen. De natuur, de gebouwen, het weideland, de grond – het lijkt allemaal zo verschrikkelijk veel op de geboortegrond van mijn vader… Even verlang ik weer terug naar de tijd dat ik als kleine jongen samen met mijn opa eropuit trok. Samen met hem en met zijn werkezel de bergen in. Aardappels en groente van het land halen, de kippen voeren, fruit plukken, helpen met hooien. Ogenschijnlijk simpele dingen, maar altijd als ik in de bergen ben, denk ik met weemoed terug aan die tijd. Een tijd waarin ik vooral geleerd heb dat de waarde van het leven in kleine dingen zit. 

 

De schaduw van een volwassen man

Terwijl ik naar de grond kijk, zie ik dat de zon mijn schaduw voor me uit projecteert. Daar voor me ligt niet meer de schaduw van dat jongetje, maar van een volwassen man. Ik haal diep adem, neem alles in me op en ruik de geuren uit mijn zomerse kinderjaren. Ongemerkt is Pip naast me komen zitten en ik zie twee schaduwen voor me op de grond. Twee schaduwen die in dit land allebei een stukje geschiedenis hebben. Langzaam zak ik door mijn hurken en pak een klein handje zand. Ik kijk ernaar en terwijl ik de woorden ‘Terra Mia’ fluister, laat ik het heel langzaam door mijn vingers glijden. Voorzichtig kijk ik naar rechts en voor ik het in de gaten heb, krijg ik een natte tong over mijn wang. 

 

Ik loop weer terug en zie dat Pia een lekkere frisse Moretti heeft klaargezet. Nog voordat ik een slok kan nemen, hoor ik een auto het pad op draaien; daar komen de volgende vrienden aan. Aan de muziek en het lawaai te horen, zijn dat Hans en Tamar. Nog twee te gaan en dan zijn we compleet. 

 

Daar staan we. Acht vrienden, boven op een berg in Piemonte

Terwijl Anna van haar kopje thee geniet, nemen Hans, Tamar en ik een heerlijke Moretti. Pia en Ugo hebben voor zichzelf een glas wijn ingeschonken en een flinke plank met de lekkerste worsten en verschillende kaasjes op tafel gezet. Het wachten op de laatste twee reizigers wordt zo nog een stuk aangenamer. Dat wachten wordt al snel beloond, want ook Floor en Giovanni Cavatore zijn gearriveerd. Fijn – we zijn compleet! Ugo ontkurkt een goede Prosecco en daar staan we: acht vrienden boven op een berg in Piemonte; proostend op vriendschap, liefde en avontuur. Het wordt een mooie avond, met niet alleen wijn die rijkelijk vloeit, maar ook met bier & borrelnoten en met goede gesprekken.

 

Il Sindaco di Cavatore

Geen vakantie zonder fietsen voor mij en Hans en dus dokteren we de volgende dag samen een klein rondje uit met de nodige hoogtemeters, en met een bezoekje aan Cavatore. Dit kleine dorpje ligt tegenover Valcrosa, boven op de top van een berg. Aan deze plaatsnaam heeft Giovanni trouwens zijn bijnaam ‘Giovanni Cavatore’ te danken: na een eerder bezoek aan deze streek zegt hij te pas en te onpas “Cavatore!”. Ik noem hem ook wel ‘Il Sindaco di Cavatore’, de burgemeester van Cavatore.

 

Maar goed, de fietsen staan klaar en de bidons zijn gevuld en Hans en ik vertrekken voor een klein tochtje in Piemonte. We dalen het slechte slingerweggetje af richting het dal en moeten direct al goed opletten voor de gaten en al het grind dat in de bochten ligt. Eenmaal in het dal wordt de weg een stuk beter en kunnen we vaart maken. We draaien bij Melazzo de SP334 op, richting Cartosio. De beentjes draaien er lustig op los om op te warmen voor de eerste beklimmingen van dit jaar. Alles zit mee: het weer is prima en de weg glooit lekker, langs fiume Erro – de rivier de Erro. Het belooft een mooie rit te worden. 

 

“Dat bord, dat zal toch niet….”

De eerste kilometers vliegen onder ons door en voor we er erg in hebben, zijn we al bij Cartosio. Iets voorbij Cartosio moeten we linksaf, richting Saquanna. Daar is de splitsing al en we duiken allebei links de weg in, richting Saquanna. In het voorbijgaan zie ik naast de weg een bord dat op een afzetting lijkt. De oude man die ernaast staat, kijkt ons een beetje vreemd aan. Ik knik vriendelijk, maar de beste man geeft geen krimp. “Dat bord, dat zal toch niet….” denk ik heel even. Maar nee, dan had het vast wel midden op de weg in plaats van aan de kant gestaan. En dus vervolgen we vrolijk onze weg en zijn de eerste kilometers inmiddels een feit. Eerst nog wat vals plat, maar vanaf Saquanna gaat het toch echt los: 10%, 12% - het begint echt op werken te lijken. En het houdt maar niet op…. Hans en ik lopen af en toe blauw aan, maar we gaan door. We hebben onze zinnen op Ponzone gezet. De weg blijft klimmen, is grillig en heeft serieuze stijgingen. Kortom, we komen nooit echt lekker in ons ritme. Af en toe zien we al een glimp van Ponzone, maar echt dichterbij komt het niet; althans niet vanzelf.

 

Een wegversperring met een enorme berg zand erachter

“Nog een paar bochten”, zegt Hans, “dan moeten we er toch wel zijn.”. Maar niets is minder waar: na de eerstvolgende bocht stuiten we op eenzelfde bord als wat ik aan het begin van de weg ook gezien heb. Alleen staat dit bord wél midden op de weg. En daar staan we na zeven kilometer klimmen, voor een wegversperring met een enorme berg zand erachter zodat niemand het in zijn hoofd haalt om er langs te glippen. Achter die berg zand zien we dat de weg over een lengte van zeker 100 meter compleet weggeslagen is. Ugo vertelt ons later bij thuiskomst dat er twee jaar geleden enorme modderstromen zijn geweest waardoor veel wegen en bruggen destijds zijn weggespoeld. De meeste zijn weer hersteld – behalve deze dus. 

 

We kijken langs de berg met zand omhoog en zien toch onze kans schoon. We hebben immers niet voor niets zeven kilometer omhoog gebuffeld. Ik draai een rondje, schakel naar een goed verzet en terwijl Hans erlangs glipt, fiets ik eroverheen. Voorzichtig zoeken we een zandpaadje langs de weggeslagen weg. Sommige stukken zijn prima te doen, maar andere…. 

 

De eerste echte afdeling van dit jaar is een feit

Niet veel verder komen we gelukkig weer op de gewone weg. Nou ja, gewoon: een weg in de bergen waar zo’n twee jaar geen auto meer gereden heeft, zwaar overwoekerd met bomen en struiken en waar dwars door het asfalt heen overal onkruid groeit. Zo goed en zo kwaad als het kan, proberen we een behoorlijke baan te vinden. Na een kleine twee kilometer wordt de weg eindelijk weer goed begaanbaar en komen we uit bij Ponzone. We laten Ponzone links liggen en dalen direct af naar Cavatore. De weg ligt er prima bij en er is vrijwel geen verkeer. De eerste echte lange afdaling van dit jaar is een feit en het voelt altijd heerlijk als je dan je fiets weer eens echt kunt laten lopen. Voor we er erg in hebben, zijn we al bij de afslag van Cavatore. We slaan linksaf, waarna we nog een klein stukje moeten klimmen. 

 

“Die is gek”

Aan de rand van het dorp loopt een man met zijn hond. “Het centrum van Cavatore, rechtdoor?” vraag ik. “Si”, antwoordt de man, maar terwijl hij dat zegt zie je hem denken – “Die is gek.” In dit kleine dorp is namelijk maar één weg. We draaien een oud, historisch pleintje op dat totaal uitgestorven is. Er is daar niets. Geen bar, geen mensen, helemaal niets. Het is compleet uitgestorven, op die man met zijn hond na dan, maar die zagen we buiten het dorp, dus die tellen niet meer mee. Na twee rondjes op de kleine steentjes op het pleintje gedraaid te hebben, zegt Hans: “Cavatore, zullen we kijken of ze in Melazzo koffie hebben?” “Si. Certo”, antwoord ik.

 

We dalen verder over een schitterende weg en er komt ons een bus tegemoet. In het voorbijgaan zie ik nog net ‘Lijn 12 – Moretti’ staan. Hans en ik kijken elkaar aan en schieten in de lach. We gaan rustig verder en komen weer op de hoofdweg. “Nog een klein stukje en dan gaan we weer links”, zegt Hans. Wat hij vergeten is erbij te zeggen, is dat de weg vanaf daar nog een keer smerig omhoog loopt. Maar, dan sta je daarna ook in Melazzo! 

 

Koffie en zoete broodjes

We draaien weer een klein pleintje op, maar dit keer wel met een knus barretje erop. We gaan naar binnen waar het tot onze grote verbazing uitgestorven is. Alleen het echtpaar dat de zaak bestiert, is aanwezig. We bestellen twee koffie met twee zoete broodjes en gaan naar het kleine maar gezellig ogende terras. Ook hier is niemand te bekennen. Het broodje is zo rijkelijk gevuld met chocola, dat het na afloop niet alleen voelt alsof je er drie op hebt, maar je zit ook onder de chocoladepoeder. Op verzoek van de uitbater rekenen we contant af; het bedrag is te klein om daar de pin voor op te starten. 

 

Terug naar Valcrosa, waar goede vrienden en wijn op ons wachten

We lopen terug naar onze fietsen die op een uitgestorven pleintje in de volle zon staan te bakken. Ik pak mijn bidon en giet het lauwe water over mijn handen en spoel de laatste resten chocola van mijn handen. De helm die ik in de zon te drogen heb gelegd, zet ik met een goed gevoel weer op. We zetten de fietsen in de goede richting, klikken de schoenen op de pedalen en rollen rustig Melazzo uit. Het slingerweggetje brengt ons weer terug naar Valcrosa waar goede vrienden en een goed glas wijn op ons wachten. 




dinsdag 22 maart 2022

Colle del piccolo San Bernardo, in het spoor van Hannibal





De zwaluwen scheren door de strakblauwe ochtendlucht van de Valle d’Aosta. Met het bijbehorende gekrijs doen ze zich tegoed aan de insecten die opstijgen uit het vers gemaaide gras. Ik zit aan de ontbijttafel die onder de overdekte patio staat en kijk naar dit schouwspel dat me een vertrouwd en rustig gevoel geeft. Terwijl de geur van vochtig hooi verdreven wordt door de geur van verse espresso die vanuit ons huisje de weg naar buiten vindt, schuiven Jaap en Hans ook aan. Vanaf de patio kijken we uit over een stuk grond waar ooit de koeien van de huiseigenaar gelopen moeten hebben. De ingestorte stallen naast ons huisje wijzen erop dat dit vroeger een redelijke boerderij moet zijn geweest. Terwijl we van onze espresso genieten, kijken we naar de zwaluwen en de prachtige omgeving.

 

Vandaag moet die beklimming dan maar gebeuren

Jaap verstoort de stilte. “Wat zijn de plannen voor vandaag?”, vraagt hij. Het blijft even stil en dan komt Hans met een voorstel: “De kleine Sint-Bernhard staat toch nog op ons lijstje?”. En omdat we hier niet heel lang meer zijn, spreken we af dat die beklimming dan vandaag maar moet gebeuren. Met de kaart in de hand maken we de plannen. We schieten in onze fietskleren, vullen de bidons, zetten de fietsen op de auto en zetten koers richting Morgex. Eenmaal in Morgex aangekomen, parkeren we de auto langs de ss26, oftewel de Avenue du Mont Blanc. Bij het horen van die naam alleen al zakt de moed je in de schoenen en als je dan om je heen kijkt, wordt het er niet beter van: een schitterende, maar ruige omgeving.

 

Een prima klim zo

We stappen op onze fietsen en rijden in de richting van de Mont Blanc. Na ruim 5 kilometer -die al verraderlijk omhoog gaan- zijn we in Pré-Saint-Didier. Vanaf daar begint de klim naar Colle del Piccolo San Bernardo, de Kleine Sint-Bernhardpas. Een mooie, niet al te steile klim van 22,6 kilometer in een schitterend landschap met maar liefst 30 haarspeldbochten. Na de eerste 8 bochten, die mooi verstopt in het bos liggen, komen we uit bij een punt naast de rivier Fiume Dora Baltea. Deze rivier begeleidt ons met een oorverdovend lawaai tot aan het wintersportoord La Thuile. Midden in La Thuile gaat de weg naar rechts en wordt vervolgens een stuk smaller. Tot dit punt vinden we elkaar nog goed, maar tijdens de volgende 11 haarspeldbochten moeten we elkaar toch echt laten gaan. Zoals altijd pakken we ons eigen tempo en rijdt ieder voor zich omhoog. Ik merk al snel dat Hans goede beentjes heeft en dat ik mezelf een beetje in de spaarstand zet. Je weet maar nooit wat er nog komen gaat, denk ik terwijl ik voel dat het goed gaat vandaag. In de haarspeldbochten probeer ik elke binnenbocht te gaan staan. Even aanzetten en daarna weer in de spaarstand. Het voelt heerlijk; een prima klim zo.

 

Napoleon Bonaparte, Hannibal en nu Il Gruppetto

Ondanks dat het een lange klim is, vliegen de kilometers gemakkelijk onder onze wielen door. De laatste kilometers zijn voornamelijk lange, rechte stukken met af en toe een laffe bocht. We komen al behoorlijk op hoogte. Er groeien hier bijna geen bomen meer, waardoor de wind vrij spel heeft. Ik rits mijn shirtje wat verder dicht en zie in de verte de top al. Hans staat me bij het oude grenswachtershuisje op te wachten en niet lang daarna meldt ook Jaap zich. Omdat we ook nog even Frankrijk in willen, gaan we gelijk verder. Voor we het goed en wel in de gaten hebben, staan we in het departement de la Savoie. Vanaf hier is het een zeer snelle afdaling naar Bourg-Saint-Maurice. Het is hier werkelijk schitterend  en in de wijde omtrek is dit de enige plek om over deze bergkam te komen. Je kunt dus wel stellen dat het een belangrijke doorgang is. De verharde weg is tussen 1893 en 1905 aangelegd, maar deze passage wordt al veel eerder gebruikt door de Romeinen en Kelten. Dit is nog goed te zien aan de verschillende resten van Romeinse bouwwerken. Maar, deze passage is vooral bekend van de tocht die zowel Napoleon Bonaparte als Hannibal gemaakt hebben. En vanaf nu kan ook Il Gruppetto aan dat rijtje worden toegevoegd.

“Ach, natuurlijk. Zo heet de berg hier.”

Na de verplichte kiekjes en nodige grappen besluiten we om weer af te dalen naar La Thuile voor de lunch. Het duurt niet lang of Il Gruppetto bestormt het terras van een plaatselijk restaurant dat behoorlijk vol zit, dus hier moet het wel goed zijn. Na een goede en voedzame lunch ga ik even naar het toilet om onder andere mijn bidon bij te vullen. Mijn oog valt op een foto, rechts naast de spiegel. Een foto van een beeld op een Romeinse zuil. Het komt me bekend voor, maar ik kan het niet direct plaatsen. Onder de foto staat ‘Bernard de Menthon’. “Bernard... Bernard...” zeg ik hardop. “Ach, natuurlijk. Zo heet de berg hier.” Vluchtig lees ik het verhaaltje onder de foto: de heilige Bernardus van Menthon is beschermheilige van de bergbeklimmers en reizigers. Hij beschermt hen tegen bandieten en tegen de grille streken van moeder natuur. Ook heeft Bernardus een hospice gesticht om reizigers te helpen. De naam Colle del Piccolo San Bernardo heeft de naam dus aan deze heilige te danken.

 

De weg wordt minder en smaller, maar dat is niet het enige…

Nadat we afgerekend hebben, dalen we af naar het dal om vanaf daar Courmayeur in te rijden. We willen kijken of we een beetje in de buurt kunnen komen van de Mont Blanc - en dat lukt goed. We vinden een klein weggetje dat rustig omhoog loopt en vanaf waar we tegen een eindeloos hoge rotspartij opkijken. Alle drie zijn we sprakeloos en behoorlijk onder de indruk van dit imposante stuk natuur. We fietsen verder over een pad dat her en der gemeen omhoog loopt en ons het uitzicht op de Mont Blanc ontneemt. Het is uitzonderlijk druk op de weg en we worden met enige regelmaat ingehaald door auto’s en bussen die afgeladen vol zitten. Ondertussen loopt de weg steeds verder omhoog. Een lege bus komt ons tegemoet, maar ook de aanvoer van volle auto’s en bussen die ons inhalen, blijft maar doorgaan. Niet veel later komen we langs een immens groot parkeerterrein, midden in de natuur. Hier stoppen de auto’s en bussen en passagiers stappen uit. Na de parkeerplaats wordt de weg minder én smaller – maar dat is niet het enige wat het lastig fietsen maakt. Iedereen die op de parkeerplaats is uitgestapt, zet de reis vanaf daar te voet verder - over hetzelfde smalle weggetje waar wij omhoog fietsen. Iedereen om ons heen is gekleed in Keltische kledij. De een wat uitbundiger dan de ander, maar een vertoning is het wel. Het duurt even voordat we in de gaten hebben waarin we beland zijn. Hele gezinnen trekken ‘ten strijde’ en alle Keltische goden zijn aanwezig. Van Alator tot Brigantia en van Borvo tot Brigit. Heel even lijkt het alsof we in een zeer slechte B-film zitten, maar niks is minder waar. We passeren een groot terrein met muziek, verschillende kampvuren en zelfs een camping. Wat blijkt? We zijn midden in het Celtic Valle D’Aosta terecht gekomen, een jaarlijks meerdaags festival dat zich afspeelt in het hele Valle D’Aosta.

 

De immense stilte van een schitterende sterrennacht

Niet heel veel later zijn we alle drie wel leeg gebeukt op deze eindeloze weg omhoog die ondertussen ook onverhard is geworden. Zonder enige discussie besluiten we om om te keren en terug te gaan naar onze eigen basis. Geen tent en geen kampvuur maar wel een patio met barbecue. Onder het genot van een heerlijke maaltijd en een flinke fles Moretti nemen we de dag nog eens rustig door. Als de doos Moretti leeg is en de verhalen op zijn, kijk ik omhoog. De zwaluwen van vanmorgen hebben plaats gemaakt voor duizenden sterren. Het gekrijs van de kleine acrobaatjes is opgeslokt door de immense stilte van een schitterende sterrennacht. En onder die sterrenhemel sluit ik dit blog af met een citaat van Cerridwen, een Keltische godin voor magie en inspiratie:

 

“Geef mij poëtische inspiratie, uit jouw ketel van wijsheid.” 

 

 

 

donderdag 27 mei 2021

Stelvio,drie keer sterven en nog niet dood


 


Het is nog vroeg in het pittoreske Bormio. Normaal gesproken is dit het walhalla van de
wintersport, maar één keer per jaar wordt de zomerse rust wreed verstoord: zo’n 3.000 wielrenners gaan de uitdaging aan met zichzelf én met alle natuurlijke elementen die ze zoal voor de wielen krijgen.

 

We staan samengepakt in de smalle straatjes van de oude binnenstad. Door de straatverlichting kleurt de lichte ochtendnevel oranje en houdt een gespannen startveld in zijn greep. Wat opvalt, is de stilte. Een stilte die het tot een mysterieus tafereel maakt. Normaal is het een kabaal van opgewonden Italiaantjes die van alles en nog wat naar alles en iedereen roepen, maar vandaag is het anders. Vandaag hangt er een bijna angstvallige stilte. Iedereen weet wat hem (of haar) te wachten staat: de Teglio, de Mortirolo en de Stelvio - en tussendoor geen meter vlak. Dat betekent minimaal drie keer sterven vandaag.

 

“Even een Dumoulinnetje” 

In de verte valt het startschot en de 3.000 renners komen langzaam in beweging. In de smalle straatjes is het even dringen, maar voor we het weten zijn we Bormio al uit. Tot onze verbazing zijn we alle vier nog bij elkaar. De eerste 40 kilometer hebben we het vals plat gelukkig mee. Het valt ons op dat veel renners er als gekken vandoor gaan. We spreken af dat we het kruit voorlopig droog houden, want er komen nog genoeg momenten waarop we vol aan de bak moeten. En daar rijden we, netjes twee aan twee. Hans, Jaap, Erwin en ik. Handjes op het stuur, beetje kletsen. 

 

Af en toe loopt de weg omhoog en dan ineens weer verraderlijk omlaag. Voor we er erg in hebben, vliegen de kilometers ons om de oren. Erwin komt naast me fietsen en zegt: “Veel lekke banden; valt jou dat ook op?” Het was mij nog niet opgevallen, maar toen ik erop ging letten, zag ik ze inderdaad met bosjes langs de weg staan. “Het lijkt wel of ze kopspijkertjes gestrooid hebben”, zegt Hans. Hij heeft het nog niet gezegd of Erwin roept: “Verdomme. Lek!” We sturen rustig richting een mooi plekje langs de kant van de weg. “Ik zie jullie zo. Ik rij een stukje verder”, zegt Jaap. Hans en ik kijken elkaar aan. “Even een Dumoulinnetje”, zegt Hans terwijl Jaap langzaam in een kluwen van renners verdwijnt. Terwijl ik de fiets van Erwin vasthoud, zijn Erwin en Hans met de nieuwe band in de weer. Deze ligt er snel op en ook hier is de samenwerking vanzelfsprekend. We vervolgen onze weg en niet veel verder staat Jaap op ons te wachten. Vanaf hier begint dan ook onze koers. Zonder dat iemand van ons een teken geeft, gaat de gaskraan open. Kop over kop zetten we koers richting de eerste beklimming die na 50 kilometer op het menu staat, de Teglio. Een kort klimmetje van 5,6 kilometer, maar wel met een gemiddeld stijgingspercentage van 8,3%. 

 

Dit kan weleens een zware dag worden

Als de klim begint, verliezen we elkaar al gauw uit het oog. Het is een nare, grillige klim. Alle vier rijden we in ons  eigen ritme omhoog. Na twee kilometer begint de ellende pas echt en gaat het naar 12,4%. Ik kom weer bij Hans en zonder iets te zeggen, rijden we samen een stukje verder. Het wordt steiler en steiler. Op het moment dat de weg zo smal wordt dat er nog amper een auto kan rijden, gaat de weg onder een uitgebouwd huisje door. Precies op dat punt kijk ik op mijn teller en zie ik 25% staan. Ik hoor Hans achter me: “Hey Ranalli, zie jij dat ook?” “Wat, dat huisje?” “Nee man, ik heb 25% op de teller.” “Oh gelukkig, ik schrok al. Ik dacht dat het aan mijn teller lag.” Achter me hoor ik alleen nog maar een hele diepe zucht. 

 

Langzaam wordt het weer wat vriendelijker, maar zo voelen mijn benen niet. De laatste anderhalve kilometer doe ik rustig aan. Eenmaal boven vullen we de bidons, verzamelen wat versnaperingen en ontdoen ons van wat kledingstukken. De temperatuur is ondertussen aardig opgelopen. “Nou”, zegt Jaap, “als dit een voorbode is van wat ons te wachten staat en dan ook nog de Mortirolo en de Stelvio….” “Ach”, zegt Erwin, “het is nog maar 100 kilometer.” Ik kijk de mannen aan en zeg niks. Ik stap weer op en zet de afdaling in. Even bekruipt mij het gevoel dat dit weleens een hele zware dag kan gaan worden. We dalen rustig af over een mooie weg die er goed bij ligt.

 

Als we de Stelvio willen halen, moet er gereden worden

Op de weg ernaartoe is vrijwel geen meter vlak en komen korte, gemene klimmetjes voorbij die totaal niet onderdoen voor de Cauberg. Al snel hebben we in de gaten dat elke klim die niet langer dan twee kilometer is, gewoon niet is ingetekend. De stijgingspercentages liegen er niet om en als ik ergens niet tegen kan, dan zijn het wel die korte, steile klimmetjes. Daar loop ik meestal op leeg - en zo voelt dat vandaag ook. De laatste 10 à 12 kilometer voor de Mortirolo zijn gelukkig relatief vlak. Ondertussen heb ik een beetje zitten rekenen en het kan nog weleens krap worden. Met die korte klimmetjes hebben we veel tijd verloren en we moeten voor 14.00 uur terug zijn in Bormio, anders mogen we niet verder fietsen. En dat zou betekenen: geen Stelvio. Op een lang fietspad richting de Mortirolo voeren we een kort en duidelijk overleg. Als we de Stelvio willen halen, moet er gereden worden. Ik zet mezelf op kop en begin een stevig tempo te rijden. Goed eten, goed drinken en je hartslag in de gaten houden – dat is het devies.

 

“Jullie zijn hartstikke gek”

En daar rijdt Il Gruppetto, kop over kop op een fietspad dat bijna Hollands aan doet - totdat je een keer links of rechts kijkt. Ik word afgelost door Jaap, zet mezelf achter Erwin in het laatste wiel en merk dat we een hele sliert renners in ons wiel hebben. Eén van die renners komt op een gegeven moment naast me rijden en vraagt in een mengelmoes van Engels/Nederlands:  “You kom frome Olanda?” “Si, noi siamo Olandesi”, antwoord ik in het Italiaans en de beste jongen valt bijna van zijn fiets. Hij begint een heel gesprek over Nederland. Over hoe mooi het is, waar wij vandaan komen en over fietsen natuurlijk. De beste jongen heeft een vriendinnetje in Aerdenhout. Ik vertel hem dat wij aan de andere kant van het land wonen, op de Veluwe - het mooiste stukje van Nederland. Ik nodig hem uit om mee te draaien, maar dat slaat hij af. “Ik wil de Mortirolo nog op.” “En de Stelvio”, lach ik hem toe. “De Stelvio?”, zegt hij. “Geen haar op mijn hoofd. Dan moet ik voor 14.00 uur in Bormio zijn. Dat lukt me nooit meer.” Ik nodig hem nogmaals uit om mee te rijden. “Dan ben je ook voor 14.00 uur in Bormio.” Hij schudt zijn hoofd en zegt: “Jullie zijn hartstikke gek.” Langzaam laat hij zich in de grote groep achter ons terugzakken. Dat we gek zijn, weten we allang. Deze gezonde gekte heeft niet alleen voor heel veel mooie momenten en avonturen gezorgd, maar ook voor een onvoorwaardelijke fietsvriendschap. Een vriendschap die al meerdere keren op de proef is gesteld, maar waar geen bergtop of sneeuwstorm tussen kan komen. Zo’n vriendschap bereik je alleen maar als je af en toe de grens opzoekt. De grens tussen gek(te) en normaal is trouwens een ondefinieerbaar begrip en wordt door iedereen anders ingevuld. De jonge renner vond ons idee gek; wij vinden zijn instelling gek, om het niet eens te proberen. En gevoed door een gezonde dosis gekte draaien we de voet van de Mortirolo op. 

 

Een gemeen loeder

Il Gruppetto gaat de strijd aan met één van de zwaarste beklimmingen, de Mortirolo. Een klim van 

12,4 kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van 10,7%. Het steilste stuk is maar liefst 24,8% over 100 meter. De klim begint relatief rustig met 11% in de eerste kilometer, maar dan schiet hij al gauw naar 14%. Daarna beginnen de gemene schommelingen die je compleet slopen. De dagen voor de koers hadden we deze klim al verkend; je wilt tijdens de koers natuurlijk niet voor verrassingen komen te staan. En eerlijk is eerlijk: het is dat de Mortirolo vandaag in het parcours zit, anders waren wij na de verkenning hier nooit meer teruggekomen. Wat een gemeen loeder is dit!

 

Opeens worden we een smal pad op gestuurd en ook al fietsen we niet meer bij elkaar, we denken allemaal hetzelfde: Wat krijgen we nu?? De organisatie heeft een oud ezelpad gevonden dat zo steil is, dat het niet geasfalteerd is. We fietsen over een ruw betonnen pad met grote geulen voor de afwatering van smeltwater. Het is zo smal, dat je bijna niet naast elkaar kunt fietsen. Het duurt dan ook niet lang of de meeste renners worden wandelaars. Het is zo zwaar, dat mijn benen het uitschreeuwen van de pijn. Verstand op nul en rammen. Beetje bij beetje kruipen we omhoog en banen we ons een weg tussen de wandelaars. Het is zaak om te blijven zitten, want het is hier zo steil dat lopen nog zwaarder is. Op ongeveer 2,5 kilometer voor de top krijgen we weer asfalt onder de wielen en de opluchting is voelbaar. Het stijgingspercentage is ook even een stuk vriendelijker. 

 

Het is tijd voor echte mannen

Eenmaal boven wachten we op elkaar, vullen onze bidons en eten wat. We kijken elkaar aan en weten dat we alle vier gesloopt zijn. We hebben geen tijd om langer te blijven en om even bij te komen. Langzaam dringt het tot ons door waarom de meeste renners er aan het begin als gekken vandoor zijn gegaan: zij wisten wat hen te wachten stond en dat je in de eerste 50 kilometer de meeste tijdwinst maakt. We moeten een stevige afdaling terug naar het dal maken om vervolgens de 22 kilometer terug naar Bormio volle bak te rijden om daar op tijd aan te komen. We weten alle vier ook dat de weg terug naar Bormio geen makkelijke opgave is: het is 22 kilometer vals plat, met nog een klein klimmetje van een goede 2,5 kilometer. Dus weten we wat ons te doen staat: het is tijd voor échte mannen. Geen excuses, handjes in de beugels, kin op het stuur en de blik op Bormio. En daar gaan we. Kop over kop knallen we als een kleine TGV door het dal richting Bormio. We vreten het asfalt als zoete koek, draaien rond als een geoliede machine. 

 

Na 22 behoorlijke snelle kilometers draaien we het centrale plein van Bormio op. Vanaf het terras klinkt het Forza Olanda. De apothekersassistent van een paar dagen eerder had ons herkend, een vleugje kippenvel trekt over mijn armen. Was dat nou emotie of het frisse briesje dat door Bormio trekt? We stoppen bij de verzorgingspost, vullen onze bidons en eten nog wat. De man van de post waarschuwt ons: “Jullie hebben nog een kwartier, dan moeten jullie hier weg zijn. “Vai ragazzi. Forza, forza.” En daar gaan we. Na de 22 kilometer volle bak vals plat, staat ons nu 21,5 kilometer klimmen te wachten.

 

Hoe dan..?

De Passo dello Stelvio begint eigenlijk direct als je Bormio uitrijdt. Vanuit Bormio is hij 21,5 kilometer en brengt je met een gemiddeld stijgingspercentage van 7,1% naar een hoogte van 2.758 meter. We beginnen aan de klim en het is direct duidelijk dat de inspanningen van deze dag er bij iedereen ingehakt hebben. Ieder rijdt zijn eigen tempo en al gauw fiets ik alleen tegen deze reus van een berg op. Ik merk dat het me best makkelijk afgaat en dat had ik niet verwacht. We zijn goed en wel met de klim begonnen of er komen al renners naar beneden. Ik dacht even, hoe dan? Om mezelf nog een beetje moed in te praten, denk ik dat die renners de middenafstand hebben gedaan. 

 

Naar beneden… dat wil ik ook wel


Bij het uitrijden van de tweede of derde tunnel begint het te regenen. Poef, ook dat nog en we moeten nog 18 kilometer. Ik durf er bijna niet aan te denken hoe het daarboven is omdat daar nog pakken met sneeuw liggen. Na de tunnels komt een stuk met 14 opeenvolgende bochten. Ondertussen voel ik dat ik aan het leeglopen ben en honger krijg. Ik voel in mijn zakken, maar helaas: niks, nada, niente. Ik weet dat Erwin achter me zit en fiets daarom rustig verder en wacht tot hij bij me is. “Hoe gaat het?”, vraagt Erwin. “Heb jij nog iets te eten?”, vraag ik. “Nog een gelletje. Wil je die hebben?” “Als je die kan missen, graag.” Erwin geeft mij zijn laatste gelletje en fietst rustig verder. Ik maak hem open en slurp het plakkerige goedje in een keer naar binnen. Alsof ik dagen niet gegeten heb. In bijna één teug drink ik ook mijn bidon leeg. Ik besluit om vanaf hier rustig door te fietsen en schakel terug op het lichtste verzet. Ik ben nog niet eens op de helft en even krijg ik het gevoel dat ik het niet ga halen. Ik begin me moedeloos en eenzaam te voelen. De sneeuwwallen langs de weg worden steeds hoger en de kou begint heel langzaam voelbaar te worden. Het gewenste effect van het gelletje blijft uit en ik voel dat mijn kaarsje langzaam uitgaat. De
inspanningen van deze dag en de kou die nu over de Stelvio neerdaalt, hebben me compleet gesloopt. Ik kan mezelf niet meer oppeppen. Daar fiets ik, eenzaam in een koud besneeuwd landschap. Af en toe zoeft er een renner naar beneden. Naar beneden, denk ik. Dat zou ik ook wel willen, richting de warmte. Maar hoe hoger ik kom, hoe kouder het wordt. De natte kleding werkt niet echt in mijn voordeel. 

 

Nu opgeven? Echt niet!

Ik draai door een flauwe bocht en kijk in de verte voor me uit. Ik zie iets als een tentje voor me. Ik recht mijn rug en kijk nog eens goed. Zie ik dat nou goed? Het lijkt wel een verzorgingspost. Hoe dichter ik bij het tentje kom, hoe beter het er voor mij uit gaat zien: het is inderdaad de laatste verzorgingspost van deze dag. Meer dan uitgewoond zet ik mijn fiets tegen een houten hekje en loop lichtelijk kromgetrokken van de kou naar de tafel. Een vriendelijke oude man begroet me en geeft me een warme kop kruidenthee. “Het is niet veel meer, maar eet zoveel als je wilt en drink deze warme thee op.” Ik neem de beker met het warme goedje aan, verwarm eerst mijn handen en snuif ondertussen de geur van de kruiden op. Ik neem een slok van de thee en voel hoe het warme goedje langzaam naar beneden glijdt, mijn maag in. Met gesloten ogen geniet ik van dit moment. Ik open mijn ogen en zie de oude man met open mond en een verweerd gezicht recht tegenover me staan. Hij vraagt of ik het lekker vind. “Lekker?” antwoord ik. “U wilt niet weten. U komt als geroepen; ik was bijna omgekeerd. U bent een geschenk uit de hemel.” “Eet, eet. Je moet eten. Je hebt de hele dag gefietst. Nu opgeven, echt niet.” 

 

Het lijkt ver, maar kijk eens naar wat al achter je ligt

Terwijl ik verder van de warme thee en van wat gedroogd fruit en koek geniet, loopt hij naar mijn fiets. Hij pakt een bidon en gooit hem leeg. “Weg met die troep. Hier, dit heb je nodig - warme kruidenthee. Dat zal je goed doen. Neem nog een beker, het is nog maar 12 kilometer.” Bij het horen van het aantal kilometers schiet me de moed weer even in de schoenen, maar de oude man trekt me snel uit mijn zelfmedelijden. Hij zet zijn hoedje iets achterover en kijkt schuin omhoog. “Kijk jongen. Daar, die top, die moet je hebben. Het lijkt ver, maar kijk eens naar beneden wat je al achter je gelaten hebt. Hoe hoger je komt, hoe dichter je bij jezelf komt. En als je ziet wat er achter je ligt - daar is dat laatste stukje niets bij.” Ik kijk de oude man met zijn mooie gerimpelde gezicht nog eens goed aan en onder zijn hoedje kijken twee fonkelende ogen mij strak aan. Even voelt het alsof mijn opa tegenover me staat. “Doe het dan op zijn minst voor mij. Ik sta hier ook al de hele dag in de kou” zegt de man. Zonder nadenken loop ik naar mijn fiets, zet hem op het asfalt, bedank de oude man en zet mijn koers voort. Als ik langzaam bij de man vandaan fiets, hoor ik achter me nog een “Bocca al lupo".

 

Ik hoor de finish al

Het is ook even iets minder steil, een mooie bijkomstigheid na alle wijze woorden en versnaperingen. Ik kan weer wat afleiding om me heen zoeken en het valt me op dat het een zeer kaal berglandschap is dat onder een dikke laag sneeuw bedekt ligt. Ik ontdek een bordje met Bocca del Braulio en vanaf hier is het nog zo’n vijf kilometer. Ik heb weer een lekker tempo te pakken en met de mooie wijze woorden van de oude grijsaard in mijn achterhoofd, neem ik af en toe een slokje van de kruidenthee en wat gedroogd fruit. Na de ontmoeting met deze reddende engel gaan er allerlei gedachten door mij heen. Dat deze onverklaarbare ontmoeting niet te verklaren is, maar dat de gedachten die ik heb later ooit weer terug zullen komen. Dat de stilte die hier heerst, je nieuwe inzichten geeft. Dat er zoveel te zien is: de beekjes die uit de sneeuw ontstaan, het groen dat door de sneeuw heen ontwaakt, de wolken in de lucht, de weg uit het dal omhoog die je naar de besneeuwde toppen begeleidt waar je vervolgens samen met jezelf terug kunt kijken op deze strijd. 

 

Ik neem de laatste slokken van de kruidenthee, plaats de bidon terug op de fiets, kijk op mijn teller en zie tot mijn verbazing dat het niet ver meer is. Het is ondertussen weer gaan regenen. De laatste kilometer gaat nog even stevig omhoog, maar dat kan mij niet meer klein krijgen. In de verte hoor ik de finish al en na een paar bochten kan ik hem ook zien.

 

Vier musketiers

Daar staan ze: Hans, Jaap en Erwin. Alle drie veilig boven, nog 25 meter en dan rol ik ook over de finishstreep. En daar staan we; vier musketiers op bijna 2.800 meter hoogte. Alle vier doorweekt en gesloopt. De zwaarste tocht die we ooit gereden hebben. We feliciteren elkaar en gaan snel de verwarmde tent in waar droge kleren klaarliggen en waar eten en drinken op ons wacht. Als vier uitgewrongen vaatdoeken zitten we op een bankje, drinken wat en kleden ons om. Er wordt niet veel gezegd, maar wel gelachen. “Man, man, man - wat hebben wij afgezien”, mompelt Hans. We spreken af dat we na de afdaling naar de sporthal van Bormio gaan waar nog een lekkere pastamaaltijd en een welverdiend biertje op ons staan te wachten.

 

Als we weer naar buiten gaan, is het gestopt met zachtjes regenen; het komt met bakken uit de lucht. Na een lange dag afzien, moeten we nog 22 kilometer afdalen in de stromende regen. Na twee bochten ben ik alweer helemaal doorweekt en zit ik te bibberen op de fiets. Het remmen doet pijn in mijn handen van de kou. Gelukkig is de afdaling hier niet zo technisch en kun je de fiets lekker laten lopen. Halverwege de afdaling kom ik langs de plek waar ik de oude man heb ontmoet. Hij heeft ondertussen zijn spullen ingepakt en is huiswaarts gekeerd. Bij het passeren bedank ik hem nogmaals, want zonder zijn hulp had ik het hoogstwaarschijnlijk niet gered vandaag. Ik heb het bedankje nog niet uitgesproken of het stopt met regenen. 

 

Eén voor allen, allen voor één

Eenmaal beneden zetten we onze fietsen in de bewaakte stalling. De temperatuur is hier een stuk aangenamer dan boven en met het stijgen van de (lichaams)temperatuur, nemen ook de gebruikelijke praatjes weer toe. Al lachend lopen we de hal binnen en scoren we een bord pasta met worst en een goed glas bier. Daar zitten we, Erwin, Hans en ik, met onze trofee van de dag. Jaap komt erbij zitten, zet zijn pasta en bier op tafel en kijkt ons stomverbaasd aan. “Hoe komen jullie eigenlijk alle drie aan dezelfde pet?” We kijken elkaar aan en beginnen keihard te lachen. “Die heb jij toch ook”, zegt Erwin. “Nee, die heb ik niet. Maar ik zou er ook wel een willen.” “Nou”, zegt Hans, “dan moet je even terug naar de finish boven op de Stelvio. Daar krijg je er een. Hier hebben we het nou voor gedaan vandaag.” “De hele dag afzien voor een pet?” vraagt Jaap. We schieten alle vier in de lach en proosten op de goede afloop. Eén voor allen, allen voor één. Een mooiere trofee bestaat er niet. 

 

 

 

 







 

 

maandag 12 oktober 2020

Operatie Cannonshot, geschiedenis in de achtertuin

Het was begin oktober, vroeg in de ochtend. De late zomerse zonnestralen hielden de aanstaande herfst nog even op afstand. Het lichte briesje dreef de dunne sliertige bewolking uiteen, waardoor de laatste zomerse zonnestralen vrij spel kregen om alles te verwarmen wat hen ten prooi viel. 


 

Eén van onze favoriete rondjes, langs de IJssel

Ik trok er samen met Hans op uit om één van onze favoriete rondjes te rijden, langs de IJssel.

Een rondje dat we wel vaker maken en zeker op zo’n mooie dag als vandaag is het altijd een genot om te zien hoe de zonnestralen met het water spelen dat door de IJssel stroomt. Hans stond stipt op de afgesproken tijd bij mij voor de deur. Ik stapte op mijn fiets en we probeerden zo snel als we konden de weilanden te bereiken om zo in alle rust richting Wilp te rijden. Wat ons direct opviel, was de temperatuur: het leek wel voorjaar. Het beloofde nu al een mooie dag te worden. 

 

De zonnestralen weerkaatsten op het stromende water

Eenmaal bij Wilp aangekomen, sloegen we rechts af de Dorpsstraat in. Aan het eind gingen we weer rechts, waarbij we de Dorpskerk passeerden. Een schitterend kerkje, met eenzelfde schitterende geschiedenis die teruggaat naar het jaar 765. Het was de Angelsaksische missionaris Lebuinus die hier in dat jaar een oratorium neerzette. Dezelfde Lebuinus bouwde later ook een kerk in Deventer en Zwolle. Na zijn dood in 773 werd hij heilig verklaard en  uitgeroepen tot patroonheilige van Deventer. Vanaf dit kerkje reden we rechtdoor tot de dijk, waar we rechts afsloegen richting Zutphen. Mijn ogen gingen als radars over de weilanden, op zoek naar wild. En ja, een haas in het veld! “Opmerkelijk”, dacht ik bij mezelf. “Het lijkt wel of de populatie de laatste jaren aan het toenemen is. Mooie beestjes.” We passeerden boerderijen en landerijen en genoten van het heerlijke weer en van alles wat er om ons heen te zien was. Niet veel later fietsten we vlak langs de IJssel en ik genoot van het schitterende uitzicht. De zonnestralen weerkaatsen op het stromende water van de rivier. De rivier die nooit stilstaat; die geeft en neemt. De rivier die de stad in tweeën deelt; die het wrakhout op de golven met zich meedraagt. De rivier die, dag in dag uit, alles ondergaat; die je nooit hoort klagen. De rivier die gewoon doorgaat met doen waar hij goed in is - stromen. Ik denk hier vaak aan, als ik weer eens tegen de wind in aan het harken ben en langs deze mooie, gekronkelde machine van natuurgeweld fiets.

 

Als koorddansers daalden we het gladde stukje dijk af

Een eindje verderop liep de weg iets naar rechts en voordat ik er erg in had, kneep ik in mijn remmen. Aan het eind stonden drie bankjes en ik deed iets wat ik tijdens dit rondje nog nooit had gedaan. Ik stopte en zei tegen Hans dat ik vanaf deze verhoging een foto wilde maken. Ik zette mijn fiets tegen een houten hekje en keek van links naar rechts over de rivier. Niet heel ver voor ons zag ik een steen. “Wat is dat?”, vroeg ik aan Hans. “Het lijkt wel een gedenksteen.” Op onze fietsschoenen waggelden we er heen. Als koorddansers daalden we het gladde stukje dijk af dat ons bij de steen bracht. Met stomme verbazing lazen we dat de geallieerden hier op 12 april 1945 zijn overgestoken. “We zijn hier al zo vaak langs gefietst, maar ik heb nooit geweten dat dat hier was”, zei Hans. 

 

Op 11 april 1945 om 14.00 uur begonnen de geallieerden Operatie Cannonshot. De oversteek was onder andere vanuit Slot Nijenbeek blootgesteld aan de Duitse observatie. Door aan beide zijden gebruik te maken van gigantische rookgordijnen, konden de eerste amfibievoertuigen en infanteristen de overkant bereiken. Om tanks en ander materieel óók aan de overkant te krijgen, moest ter plekke een brug gebouwd worden. Deze brug was om 23.15 uur klaar en tijdens deze operatie hebben de nodige soldaten hun leven gegeven. Om 03.00 uur in de ochtend van 12 april was ook de veerpont klaar om tanks en ander zwaar materieel naar de overkant te brengen. Vanaf dit punt trokken de geallieerden verder richting Wilp, Twello, Teuge en Apeldoorn. Een andere compagnie trok op datzelfde moment via het kanaal richting Apeldoorn, zodat Apeldoorn op 17 april van twee kanten bereikt kon worden.

 

Ik knikte en keek nog eens over de rivier

Hans en ik keken nog eens rustig om ons heen en beseften dat we hier op een belangrijk punt van de Nederlandse bevrijding stonden. “Nooit geweten dat ze hier de oversteek gemaakt hebben, terwijl we hier al zo vaak langs gefietst zijn”, zei Hans weer. Hier, op dit punt konden de geallieerden vanuit het oosten doorstoten naar het noorden om zo de vluchtroute van onze bezetter af te sluiten. Ik knikte, keek nog eens over de rivier en zei: “Een stukje geschiedenis in onze achtertuin.” We besloten om verder te gaan en kluunden terug naar onze fietsen. We stampten de klei van onze fietsschoenen en klommen op de fiets. 

 

Hans en ik staarden stil om ons heen

Niet veel verder kwamen we langs landgoed De Poll. Op dit landgoed staat, aan de rand van de IJssel, ruïne Nijenbeek. We besloten om ook daar een kijkje te nemen. We stuitten op een zeer mooie ruïne van dat wat vroeger een alleraardigst slot moet zijn geweest. Dat slot stond hier sinds 1266 en was altijd bewoond, totdat de Duitsers het innamen en er een observatiepost van maakten. Vanaf deze plek heb je een schitterend uitzicht over de IJssel. Op een bordje lazen we dat de geallieerden het kasteeltje zwaar hadden beschoten om de Duitsers eruit te krijgen zodat ze de oversteek konden maken. De achterkant van het kasteeltje was er gewoonweg vanaf geschoten. Na de oorlog werd het nooit meer in ere hersteld. Ik stond naar de ruïne te kijken toen een vreemd gevoel mij bekroop. Was het blijdschap? Trots? Ik kon het gevoel niet direct thuisbrengen. Respect komt eerder in de buurt; respect voor de jonge mannen die hier voor onze vrijheid vochten. Het was voelbaar; je voelde gewoon dat hier stevig is gevochten. Jonge mannen die hier voor onze vrijheid hebben gestreden. Hans en ik staarden stil om ons heen. Het was een schitterend plekje; we hoorden en zagen niemand. We probeerden nog een glimp van de achterkant van de ruïne op te vangen, maar we konden helaas niet echt dichtbij komen. Op bedeesde toon vroeg Hans “Zullen we gaan?” We liepen terug naar onze fietsen en keken nog even naar het bijgebouw. We stapten in stilte op, reden het zandpad af en lieten de ruïne achter ons. We zeiden niets tegen elkaar. Het enige geluid was het geluid van onze fietsen die over het zandpad knarsten.

 

Een stukje geschiedenis in onze achtertuin

We kwamen op de verharde weg en vervolgden onze route. Al snel zaten we weer in ons ritme en lieten we de beentjes lekker rondgaan. We waren allebei onder de indruk van wat zich hier 75 jaar geleden had afgespeeld en zeiden niet veel. We reden door naar Zutphen, Brummen en Laag-Soeren. De laatste zomerse zonnestralen zorgden voor een warm gevoel. We fietsten via Eerbeek naar Loenen en besloten om langs het Apeldoorns Kanaal terug te fietsen naar Apeldoorn waar we nog even een espresso dronken. Terwijl we van het heerlijke weer en onze espresso genoten, namen we deze rit nog eens rustig door. Een stukje geschiedenis, en dat alles gewoon in onze achtertuin.

 

 

zaterdag 15 augustus 2020

Felice Gimondi,de buizerd van Bergamo

Het was een vroege zaterdagochtend; ik zat voor ons huisje en genoot van de ochtendrust. Niet alleen het vakantiepark, maar ook mijn huisgenootjes lagen er vredig bij. Langzaam werd het vredige gekoer van de duifjes verstoord door de percolator die meldde dat mijn espresso aanstaande was. Beter kun je de dag niet beginnen: verse espresso, een cornetto con crema en een zonnetje dat tussen de bergen door de strijd aangaat met de laatste flarden ochtendmist. Nadat ik mijn ontbijt had verorberd en de laatste kruimels van mijn bord naast het terras voor de duiven had gestrooid, bracht ik mijn fiets in gereedheid om een stukje te gaan rijden. Ik controleerde nog even of ik alles bij me had: reepje, bidon, pomp, bandje, telefoon en wat kleingeld. Ik zette mijn helm en bril op en verliet in alle rust het vredige vakantiepark. Waar ik heen ging, wist ik eigenlijk nog niet; echte plannen of een doel had ik deze ochtend niet.

 

 

Het werd weer een ouderwetse ontdekkingstocht

Al snel dook ik een klein bergweggetje in dat me door een mooie appelboomgaard leidde. Een eindje verder volgde een kersenboomgaard waarvan de kersen helaas een tijdje terug al geoogst waren. Ik fietste door de goed onderhouden fruitboomgaarden van Trentino, met zo hier en daar een gemene klim, een zeer smal weggetje of wat onverharde wegen. Het werd weer eens een ouderwetse ontdekkingstocht. Op een gegeven moment werd het straatje zo smal, dat ik bijna dacht dat ik aan het eind van de wereld uitkwam. Toch was er elke keer weer een boerderij of een huisje waar ik langs fietste. Op een gegeven moment moest ik zelfs over een erf heen waar een boerenfamilie stond. Ze keken behoorlijk verbaasd toen er ineens een wielrenner bijna door hun schuur fietste; zij wisten als geen ander welke weg ik afgelegd had om daar te komen. En, eerlijk is eerlijk: als ik dat van tevoren geweten had, dan weet ik niet of ik die ochtend deze mensen een bezoekje had gebracht. 

 

Zoals altijd brandde ik een kaarsje

Ik vervolgde mijn weg over het smalle paadje. Ik was al een tijdje geen dorpje of boerderij meer tegengekomen. “Zou ik dan toch moeten omdraaien…”, mijmerde ik. Maar ik wist hoeveel moeite het me had gekost om tot hier te komen, dus omdraaien was voor mij natuurlijk geen optie. Ik reed rustig verder, al werd de weg er niet beter op. In de verte zag ik een klein gebouwtje staan. Of het een oude boerderij of schuur was, kon ik met al die bomen en vanaf die afstand niet goed zien. Ik kwam dichterbij en vanaf de zijkant leek het wel een klein kerkje. Toen ik vlakbij was, boog de weg er iets vanaf. Langs de weg stonden een aantal auto’s. Ik zag een bordje met ‘Santuario della Madonna del Feles’. “Dat is altijd interessant,” dacht ik en ik draaide mijn fiets om en reed richting het kleine kapelletje. Het was oud, maar goed onderhouden en kende een interessante geschiedenis: rond 1620 zou hier de maagd Maria verschenen zijn aan een jonge herder, Jansel genaamd, die doofstom was. Zij genas hem en gaf hem vervolgens de opdracht om de mensen in het dorp zijn verhaal te vertellen zodat ze op deze plek een kerkje konden bouwen. Ik ging even binnenkijken en dat was meer dan de moeite waard. Ook de binnenkant was goed onderhouden en er waren een aantal fresco’s te bewonderen. Zoals altijd brandde ik ook nu weer een kaarsje voor alle dierbaren die mij ontvallen waren, en voor iedereen die een extra steuntje kon gebruiken. Ik stond even stil bij van alles en nog wat, waarna ik mijn eigen pad weer vervolgde. 


“E morte, il campione”

Het duurde niet lang of ik fietste de bewoonde wereld in. Al gauw ontdekte ik een bord dat mij de goede kant op kon sturen: Bossentino, 3 kilometer - die kant moest ik op. Vanaf Bossentino daalde ik af richting Calceranica al Lago. Een mooie en goed lopende afdaling waar ik de fiets lekker kon laten lopen. Na een goede twee uur kwam ik aan in Calceranica al Lago. Ik besloot om bij het plaatselijke barretje ‘un caffe’ met een lekker broodje te pakken. Ik plaatste mijn fiets zorgvuldig tegen het metalen bord van Algida en zag dat de ‘fior di fragola’ nog steeds op de kaart stond, een ijsje waar ik in de jaren tachtig verzot op was. Ik liep naar binnen en bestelde ‘un caffe e un cornetto simplice’. De koffie werd met veel liefde voor me gemaakt; het broodje mocht ik zelf pakken. Ik ging er even heerlijk voor zitten, want de beentjes voelden best zwaar. Terwijl ik van mijn koffie genoot, keek ik naar de standaard met kranten. Tot mijn verbazing zag ik een foto van Felice Gimondi; de tekst die erbij stond was onleesbaar omdat er allerlei kranten voor staken. Ik liep naar het rek en haalde de welbekende roze krant eruit.

Ik keek naar de foto, maar voordat ik de kans kreeg om de tekst te lezen, hoorde ik vanachter de bar een zware stem. “E morto, il campione. Een hartstilstand tijdens het zwemmen.” Ik keek de man verbaasd aan, die rustig doorging met de vaat en ondertussen zei: “De buizerd van Bergamo vliegt niet meer.” Ik ging weer zitten, at mijn broodje en sloeg het laatste slokje koffie achterover en las het nieuws over Felice Gimondi. Nadat ik had afgerekend, liep ik naar buiten en stopte de krant in één van mijn achterzakken. Ik pakte mijn fiets en stapte op om de laatste paar kilometers af te leggen.  Met de schrik van het nieuws over Felice Gimondi in de benen en met La Gazetta in mijn achterzak, rolde ik ons vakantieparkje weer op. Ik plaatste mijn fiets tussen de auto en ons huisje, legde mijn helm in de zon te drogen en liep naar binnen om wat verfrissends in te schenken. Met een nonchalante zwaai deponeerde ik de roze krant op tafel. “Hoe ging het?” “Gimondi is overleden”, antwoordde ik. “Wie?” “Felice Gimondi”, zei ik verbaasd. “Ken ik niet”, was het antwoord terug. Ik ging in de schaduw zitten en had mezelf de moeite bespaard om uit te leggen wie Felice Gimondi was. Nu kon ik rustig de krant lezen.

 

De ‘buizerd van Bergamo’ vloog uit en het peloton zag hem niet meer terug

’s Avonds installeerde ik me voor de televisie, omdat er een eerbetoon uitgezonden zou worden zoals ze alleen in Italië sporthelden kunnen eren. Felice Gimondi, geboren op 29 september 1942 te Sedrina. Hij groeide op in een degelijk gezin, waar hard gewerkt moest worden. Vader was vrachtwagenchauffeur en moeder postbode. Het was zijn moeder die de basis legde voor de grote Gimondi. Als kleine jongen mocht hij vaak met zijn moeder mee om de post rond te brengen, op de fiets. In het heuvellandschap tussen Sedrina en Bergamo werd de basis gelegd voor zijn glansrijke carrière. Het duurde overigens nog jaren voordat hij zijn eerste koersfiets kreeg, maar toen hij die eenmaal had, veranderde hij in een stoïcijnse coureur die precies wist wat zijn doel was. Hij was een zeer goede amateur en won onder andere ‘De ronde van de toekomst’. In 1964 stond hij aan de start van de Olympische Spelen in Tokyo, samen met nog zo’n groot talent - Eddy Merkx. De wereld kreeg toen al een voorproefje van wat de jaren daarop nog vaak zou gebeuren. Eddy dacht dat hij er in de laatste ronde tussenuit kon knijpen, maar helaas - de Buizerd van Bergamo haalde hem terug. In het jaar daarop maakten beide heren hun debuut in het profpeloton, maar het was uitgerekend Gimondi die van zich deed spreken. Aanvankelijk zou hij niet meegaan naar de Tour, maar hij werd op het laatste moment toch opgeroepen en verscheen als neo-prof onverwachts aan het vertrek. In een overgangsetappe kreeg hij een vrijbrief om wat te proberen; hij was bij de rest van het peloton een jonge, onbekende renner. De Buizerd vloog uit en het peloton zag hem nooit meer terug, waarmee hij de basis legde voor zijn eindklassement. Hij won dat jaar drie etappes, maar het winnen van de Tour in zijn debuutjaar was de allerbelangrijkste overwinning. Gimondi was toen pas 23 jaar. En daar bleef het niet bij: hij reed vijf keer de Tour de France, maar eindigde nooit lager dan de zevende plaats. Hij reed 14 keer de Giro en won hem drie keer en stond negen keer op het podium in het eindklassement. Zijn laagste klassering  was een 15e plaats, hij was toen al 35 jaar oud. Ook reed hij eenmaal de ronde van Spanje waarbij hij ook met de winst naar huis ging. Felice Gimondi was één van de zeven renners die alle drie de grote rondes hebben gewonnen. 

 

Wie weet wat er gebeurd zou zijn als Merckx er niet was geweest….

Hij was niet alleen een grote ronderenner, maar ook in eendagskoersen kon hij goed uit de voeten. Hij won Milaan-San Remo, Parijs-Roubaix, twee keer de Ronde van Lombardije en twee keer Parijs-Brussel. In 1973 bekroonde hij zijn carrière met de regenboogtrui. Naast deze overwinningen stond hij ook nog eens tien keer op het podium bij een klassieker en won hij ook vele minder bekende eendagswedstrijden én werd hij twee keer Italiaans kampioen op de weg - en dat allemaal in het tijdperk met Eddy Merckx! Wie weet wat er gebeurd was, als Merckx er niet was geweest... Samen met zijn toenmalige ploeggenoot van Bianchi Campagnolo, de Belg Rik van Linden, won hij in 1977 de zesdaagse van Milaan; ook op de baan kon hij dus een aardig stukje rijden. Na zijn carrière bleef hij Bianchi en de wielersport trouw, waarbij hij zijn hele leven ‘een uithangbord’ voor Bianchi is geweest. 

 

Felice Gimondi overleed op 16 augustus 2019 tijdens het zwemmen in de zee bij Giardini Naxos op Sicilië aan een hartinfarct t. Hij werd 76 jaar.

 

Grazie Felice.

 

 

 

  

 

Punta Marina Terme

  Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren...