donderdag 27 mei 2021

Stelvio,drie keer sterven en nog niet dood


 


Het is nog vroeg in het pittoreske Bormio. Normaal gesproken is dit het walhalla van de
wintersport, maar één keer per jaar wordt de zomerse rust wreed verstoord: zo’n 3.000 wielrenners gaan de uitdaging aan met zichzelf én met alle natuurlijke elementen die ze zoal voor de wielen krijgen.

 

We staan samengepakt in de smalle straatjes van de oude binnenstad. Door de straatverlichting kleurt de lichte ochtendnevel oranje en houdt een gespannen startveld in zijn greep. Wat opvalt, is de stilte. Een stilte die het tot een mysterieus tafereel maakt. Normaal is het een kabaal van opgewonden Italiaantjes die van alles en nog wat naar alles en iedereen roepen, maar vandaag is het anders. Vandaag hangt er een bijna angstvallige stilte. Iedereen weet wat hem (of haar) te wachten staat: de Teglio, de Mortirolo en de Stelvio - en tussendoor geen meter vlak. Dat betekent minimaal drie keer sterven vandaag.

 

“Even een Dumoulinnetje” 

In de verte valt het startschot en de 3.000 renners komen langzaam in beweging. In de smalle straatjes is het even dringen, maar voor we het weten zijn we Bormio al uit. Tot onze verbazing zijn we alle vier nog bij elkaar. De eerste 40 kilometer hebben we het vals plat gelukkig mee. Het valt ons op dat veel renners er als gekken vandoor gaan. We spreken af dat we het kruit voorlopig droog houden, want er komen nog genoeg momenten waarop we vol aan de bak moeten. En daar rijden we, netjes twee aan twee. Hans, Jaap, Erwin en ik. Handjes op het stuur, beetje kletsen. 

 

Af en toe loopt de weg omhoog en dan ineens weer verraderlijk omlaag. Voor we er erg in hebben, vliegen de kilometers ons om de oren. Erwin komt naast me fietsen en zegt: “Veel lekke banden; valt jou dat ook op?” Het was mij nog niet opgevallen, maar toen ik erop ging letten, zag ik ze inderdaad met bosjes langs de weg staan. “Het lijkt wel of ze kopspijkertjes gestrooid hebben”, zegt Hans. Hij heeft het nog niet gezegd of Erwin roept: “Verdomme. Lek!” We sturen rustig richting een mooi plekje langs de kant van de weg. “Ik zie jullie zo. Ik rij een stukje verder”, zegt Jaap. Hans en ik kijken elkaar aan. “Even een Dumoulinnetje”, zegt Hans terwijl Jaap langzaam in een kluwen van renners verdwijnt. Terwijl ik de fiets van Erwin vasthoud, zijn Erwin en Hans met de nieuwe band in de weer. Deze ligt er snel op en ook hier is de samenwerking vanzelfsprekend. We vervolgen onze weg en niet veel verder staat Jaap op ons te wachten. Vanaf hier begint dan ook onze koers. Zonder dat iemand van ons een teken geeft, gaat de gaskraan open. Kop over kop zetten we koers richting de eerste beklimming die na 50 kilometer op het menu staat, de Teglio. Een kort klimmetje van 5,6 kilometer, maar wel met een gemiddeld stijgingspercentage van 8,3%. 

 

Dit kan weleens een zware dag worden

Als de klim begint, verliezen we elkaar al gauw uit het oog. Het is een nare, grillige klim. Alle vier rijden we in ons  eigen ritme omhoog. Na twee kilometer begint de ellende pas echt en gaat het naar 12,4%. Ik kom weer bij Hans en zonder iets te zeggen, rijden we samen een stukje verder. Het wordt steiler en steiler. Op het moment dat de weg zo smal wordt dat er nog amper een auto kan rijden, gaat de weg onder een uitgebouwd huisje door. Precies op dat punt kijk ik op mijn teller en zie ik 25% staan. Ik hoor Hans achter me: “Hey Ranalli, zie jij dat ook?” “Wat, dat huisje?” “Nee man, ik heb 25% op de teller.” “Oh gelukkig, ik schrok al. Ik dacht dat het aan mijn teller lag.” Achter me hoor ik alleen nog maar een hele diepe zucht. 

 

Langzaam wordt het weer wat vriendelijker, maar zo voelen mijn benen niet. De laatste anderhalve kilometer doe ik rustig aan. Eenmaal boven vullen we de bidons, verzamelen wat versnaperingen en ontdoen ons van wat kledingstukken. De temperatuur is ondertussen aardig opgelopen. “Nou”, zegt Jaap, “als dit een voorbode is van wat ons te wachten staat en dan ook nog de Mortirolo en de Stelvio….” “Ach”, zegt Erwin, “het is nog maar 100 kilometer.” Ik kijk de mannen aan en zeg niks. Ik stap weer op en zet de afdaling in. Even bekruipt mij het gevoel dat dit weleens een hele zware dag kan gaan worden. We dalen rustig af over een mooie weg die er goed bij ligt.

 

Als we de Stelvio willen halen, moet er gereden worden

Op de weg ernaartoe is vrijwel geen meter vlak en komen korte, gemene klimmetjes voorbij die totaal niet onderdoen voor de Cauberg. Al snel hebben we in de gaten dat elke klim die niet langer dan twee kilometer is, gewoon niet is ingetekend. De stijgingspercentages liegen er niet om en als ik ergens niet tegen kan, dan zijn het wel die korte, steile klimmetjes. Daar loop ik meestal op leeg - en zo voelt dat vandaag ook. De laatste 10 à 12 kilometer voor de Mortirolo zijn gelukkig relatief vlak. Ondertussen heb ik een beetje zitten rekenen en het kan nog weleens krap worden. Met die korte klimmetjes hebben we veel tijd verloren en we moeten voor 14.00 uur terug zijn in Bormio, anders mogen we niet verder fietsen. En dat zou betekenen: geen Stelvio. Op een lang fietspad richting de Mortirolo voeren we een kort en duidelijk overleg. Als we de Stelvio willen halen, moet er gereden worden. Ik zet mezelf op kop en begin een stevig tempo te rijden. Goed eten, goed drinken en je hartslag in de gaten houden – dat is het devies.

 

“Jullie zijn hartstikke gek”

En daar rijdt Il Gruppetto, kop over kop op een fietspad dat bijna Hollands aan doet - totdat je een keer links of rechts kijkt. Ik word afgelost door Jaap, zet mezelf achter Erwin in het laatste wiel en merk dat we een hele sliert renners in ons wiel hebben. Eén van die renners komt op een gegeven moment naast me rijden en vraagt in een mengelmoes van Engels/Nederlands:  “You kom frome Olanda?” “Si, noi siamo Olandesi”, antwoord ik in het Italiaans en de beste jongen valt bijna van zijn fiets. Hij begint een heel gesprek over Nederland. Over hoe mooi het is, waar wij vandaan komen en over fietsen natuurlijk. De beste jongen heeft een vriendinnetje in Aerdenhout. Ik vertel hem dat wij aan de andere kant van het land wonen, op de Veluwe - het mooiste stukje van Nederland. Ik nodig hem uit om mee te draaien, maar dat slaat hij af. “Ik wil de Mortirolo nog op.” “En de Stelvio”, lach ik hem toe. “De Stelvio?”, zegt hij. “Geen haar op mijn hoofd. Dan moet ik voor 14.00 uur in Bormio zijn. Dat lukt me nooit meer.” Ik nodig hem nogmaals uit om mee te rijden. “Dan ben je ook voor 14.00 uur in Bormio.” Hij schudt zijn hoofd en zegt: “Jullie zijn hartstikke gek.” Langzaam laat hij zich in de grote groep achter ons terugzakken. Dat we gek zijn, weten we allang. Deze gezonde gekte heeft niet alleen voor heel veel mooie momenten en avonturen gezorgd, maar ook voor een onvoorwaardelijke fietsvriendschap. Een vriendschap die al meerdere keren op de proef is gesteld, maar waar geen bergtop of sneeuwstorm tussen kan komen. Zo’n vriendschap bereik je alleen maar als je af en toe de grens opzoekt. De grens tussen gek(te) en normaal is trouwens een ondefinieerbaar begrip en wordt door iedereen anders ingevuld. De jonge renner vond ons idee gek; wij vinden zijn instelling gek, om het niet eens te proberen. En gevoed door een gezonde dosis gekte draaien we de voet van de Mortirolo op. 

 

Een gemeen loeder

Il Gruppetto gaat de strijd aan met één van de zwaarste beklimmingen, de Mortirolo. Een klim van 

12,4 kilometer met een gemiddeld stijgingspercentage van 10,7%. Het steilste stuk is maar liefst 24,8% over 100 meter. De klim begint relatief rustig met 11% in de eerste kilometer, maar dan schiet hij al gauw naar 14%. Daarna beginnen de gemene schommelingen die je compleet slopen. De dagen voor de koers hadden we deze klim al verkend; je wilt tijdens de koers natuurlijk niet voor verrassingen komen te staan. En eerlijk is eerlijk: het is dat de Mortirolo vandaag in het parcours zit, anders waren wij na de verkenning hier nooit meer teruggekomen. Wat een gemeen loeder is dit!

 

Opeens worden we een smal pad op gestuurd en ook al fietsen we niet meer bij elkaar, we denken allemaal hetzelfde: Wat krijgen we nu?? De organisatie heeft een oud ezelpad gevonden dat zo steil is, dat het niet geasfalteerd is. We fietsen over een ruw betonnen pad met grote geulen voor de afwatering van smeltwater. Het is zo smal, dat je bijna niet naast elkaar kunt fietsen. Het duurt dan ook niet lang of de meeste renners worden wandelaars. Het is zo zwaar, dat mijn benen het uitschreeuwen van de pijn. Verstand op nul en rammen. Beetje bij beetje kruipen we omhoog en banen we ons een weg tussen de wandelaars. Het is zaak om te blijven zitten, want het is hier zo steil dat lopen nog zwaarder is. Op ongeveer 2,5 kilometer voor de top krijgen we weer asfalt onder de wielen en de opluchting is voelbaar. Het stijgingspercentage is ook even een stuk vriendelijker. 

 

Het is tijd voor echte mannen

Eenmaal boven wachten we op elkaar, vullen onze bidons en eten wat. We kijken elkaar aan en weten dat we alle vier gesloopt zijn. We hebben geen tijd om langer te blijven en om even bij te komen. Langzaam dringt het tot ons door waarom de meeste renners er aan het begin als gekken vandoor zijn gegaan: zij wisten wat hen te wachten stond en dat je in de eerste 50 kilometer de meeste tijdwinst maakt. We moeten een stevige afdaling terug naar het dal maken om vervolgens de 22 kilometer terug naar Bormio volle bak te rijden om daar op tijd aan te komen. We weten alle vier ook dat de weg terug naar Bormio geen makkelijke opgave is: het is 22 kilometer vals plat, met nog een klein klimmetje van een goede 2,5 kilometer. Dus weten we wat ons te doen staat: het is tijd voor échte mannen. Geen excuses, handjes in de beugels, kin op het stuur en de blik op Bormio. En daar gaan we. Kop over kop knallen we als een kleine TGV door het dal richting Bormio. We vreten het asfalt als zoete koek, draaien rond als een geoliede machine. 

 

Na 22 behoorlijke snelle kilometers draaien we het centrale plein van Bormio op. Vanaf het terras klinkt het Forza Olanda. De apothekersassistent van een paar dagen eerder had ons herkend, een vleugje kippenvel trekt over mijn armen. Was dat nou emotie of het frisse briesje dat door Bormio trekt? We stoppen bij de verzorgingspost, vullen onze bidons en eten nog wat. De man van de post waarschuwt ons: “Jullie hebben nog een kwartier, dan moeten jullie hier weg zijn. “Vai ragazzi. Forza, forza.” En daar gaan we. Na de 22 kilometer volle bak vals plat, staat ons nu 21,5 kilometer klimmen te wachten.

 

Hoe dan..?

De Passo dello Stelvio begint eigenlijk direct als je Bormio uitrijdt. Vanuit Bormio is hij 21,5 kilometer en brengt je met een gemiddeld stijgingspercentage van 7,1% naar een hoogte van 2.758 meter. We beginnen aan de klim en het is direct duidelijk dat de inspanningen van deze dag er bij iedereen ingehakt hebben. Ieder rijdt zijn eigen tempo en al gauw fiets ik alleen tegen deze reus van een berg op. Ik merk dat het me best makkelijk afgaat en dat had ik niet verwacht. We zijn goed en wel met de klim begonnen of er komen al renners naar beneden. Ik dacht even, hoe dan? Om mezelf nog een beetje moed in te praten, denk ik dat die renners de middenafstand hebben gedaan. 

 

Naar beneden… dat wil ik ook wel


Bij het uitrijden van de tweede of derde tunnel begint het te regenen. Poef, ook dat nog en we moeten nog 18 kilometer. Ik durf er bijna niet aan te denken hoe het daarboven is omdat daar nog pakken met sneeuw liggen. Na de tunnels komt een stuk met 14 opeenvolgende bochten. Ondertussen voel ik dat ik aan het leeglopen ben en honger krijg. Ik voel in mijn zakken, maar helaas: niks, nada, niente. Ik weet dat Erwin achter me zit en fiets daarom rustig verder en wacht tot hij bij me is. “Hoe gaat het?”, vraagt Erwin. “Heb jij nog iets te eten?”, vraag ik. “Nog een gelletje. Wil je die hebben?” “Als je die kan missen, graag.” Erwin geeft mij zijn laatste gelletje en fietst rustig verder. Ik maak hem open en slurp het plakkerige goedje in een keer naar binnen. Alsof ik dagen niet gegeten heb. In bijna één teug drink ik ook mijn bidon leeg. Ik besluit om vanaf hier rustig door te fietsen en schakel terug op het lichtste verzet. Ik ben nog niet eens op de helft en even krijg ik het gevoel dat ik het niet ga halen. Ik begin me moedeloos en eenzaam te voelen. De sneeuwwallen langs de weg worden steeds hoger en de kou begint heel langzaam voelbaar te worden. Het gewenste effect van het gelletje blijft uit en ik voel dat mijn kaarsje langzaam uitgaat. De
inspanningen van deze dag en de kou die nu over de Stelvio neerdaalt, hebben me compleet gesloopt. Ik kan mezelf niet meer oppeppen. Daar fiets ik, eenzaam in een koud besneeuwd landschap. Af en toe zoeft er een renner naar beneden. Naar beneden, denk ik. Dat zou ik ook wel willen, richting de warmte. Maar hoe hoger ik kom, hoe kouder het wordt. De natte kleding werkt niet echt in mijn voordeel. 

 

Nu opgeven? Echt niet!

Ik draai door een flauwe bocht en kijk in de verte voor me uit. Ik zie iets als een tentje voor me. Ik recht mijn rug en kijk nog eens goed. Zie ik dat nou goed? Het lijkt wel een verzorgingspost. Hoe dichter ik bij het tentje kom, hoe beter het er voor mij uit gaat zien: het is inderdaad de laatste verzorgingspost van deze dag. Meer dan uitgewoond zet ik mijn fiets tegen een houten hekje en loop lichtelijk kromgetrokken van de kou naar de tafel. Een vriendelijke oude man begroet me en geeft me een warme kop kruidenthee. “Het is niet veel meer, maar eet zoveel als je wilt en drink deze warme thee op.” Ik neem de beker met het warme goedje aan, verwarm eerst mijn handen en snuif ondertussen de geur van de kruiden op. Ik neem een slok van de thee en voel hoe het warme goedje langzaam naar beneden glijdt, mijn maag in. Met gesloten ogen geniet ik van dit moment. Ik open mijn ogen en zie de oude man met open mond en een verweerd gezicht recht tegenover me staan. Hij vraagt of ik het lekker vind. “Lekker?” antwoord ik. “U wilt niet weten. U komt als geroepen; ik was bijna omgekeerd. U bent een geschenk uit de hemel.” “Eet, eet. Je moet eten. Je hebt de hele dag gefietst. Nu opgeven, echt niet.” 

 

Het lijkt ver, maar kijk eens naar wat al achter je ligt

Terwijl ik verder van de warme thee en van wat gedroogd fruit en koek geniet, loopt hij naar mijn fiets. Hij pakt een bidon en gooit hem leeg. “Weg met die troep. Hier, dit heb je nodig - warme kruidenthee. Dat zal je goed doen. Neem nog een beker, het is nog maar 12 kilometer.” Bij het horen van het aantal kilometers schiet me de moed weer even in de schoenen, maar de oude man trekt me snel uit mijn zelfmedelijden. Hij zet zijn hoedje iets achterover en kijkt schuin omhoog. “Kijk jongen. Daar, die top, die moet je hebben. Het lijkt ver, maar kijk eens naar beneden wat je al achter je gelaten hebt. Hoe hoger je komt, hoe dichter je bij jezelf komt. En als je ziet wat er achter je ligt - daar is dat laatste stukje niets bij.” Ik kijk de oude man met zijn mooie gerimpelde gezicht nog eens goed aan en onder zijn hoedje kijken twee fonkelende ogen mij strak aan. Even voelt het alsof mijn opa tegenover me staat. “Doe het dan op zijn minst voor mij. Ik sta hier ook al de hele dag in de kou” zegt de man. Zonder nadenken loop ik naar mijn fiets, zet hem op het asfalt, bedank de oude man en zet mijn koers voort. Als ik langzaam bij de man vandaan fiets, hoor ik achter me nog een “Bocca al lupo".

 

Ik hoor de finish al

Het is ook even iets minder steil, een mooie bijkomstigheid na alle wijze woorden en versnaperingen. Ik kan weer wat afleiding om me heen zoeken en het valt me op dat het een zeer kaal berglandschap is dat onder een dikke laag sneeuw bedekt ligt. Ik ontdek een bordje met Bocca del Braulio en vanaf hier is het nog zo’n vijf kilometer. Ik heb weer een lekker tempo te pakken en met de mooie wijze woorden van de oude grijsaard in mijn achterhoofd, neem ik af en toe een slokje van de kruidenthee en wat gedroogd fruit. Na de ontmoeting met deze reddende engel gaan er allerlei gedachten door mij heen. Dat deze onverklaarbare ontmoeting niet te verklaren is, maar dat de gedachten die ik heb later ooit weer terug zullen komen. Dat de stilte die hier heerst, je nieuwe inzichten geeft. Dat er zoveel te zien is: de beekjes die uit de sneeuw ontstaan, het groen dat door de sneeuw heen ontwaakt, de wolken in de lucht, de weg uit het dal omhoog die je naar de besneeuwde toppen begeleidt waar je vervolgens samen met jezelf terug kunt kijken op deze strijd. 

 

Ik neem de laatste slokken van de kruidenthee, plaats de bidon terug op de fiets, kijk op mijn teller en zie tot mijn verbazing dat het niet ver meer is. Het is ondertussen weer gaan regenen. De laatste kilometer gaat nog even stevig omhoog, maar dat kan mij niet meer klein krijgen. In de verte hoor ik de finish al en na een paar bochten kan ik hem ook zien.

 

Vier musketiers

Daar staan ze: Hans, Jaap en Erwin. Alle drie veilig boven, nog 25 meter en dan rol ik ook over de finishstreep. En daar staan we; vier musketiers op bijna 2.800 meter hoogte. Alle vier doorweekt en gesloopt. De zwaarste tocht die we ooit gereden hebben. We feliciteren elkaar en gaan snel de verwarmde tent in waar droge kleren klaarliggen en waar eten en drinken op ons wacht. Als vier uitgewrongen vaatdoeken zitten we op een bankje, drinken wat en kleden ons om. Er wordt niet veel gezegd, maar wel gelachen. “Man, man, man - wat hebben wij afgezien”, mompelt Hans. We spreken af dat we na de afdaling naar de sporthal van Bormio gaan waar nog een lekkere pastamaaltijd en een welverdiend biertje op ons staan te wachten.

 

Als we weer naar buiten gaan, is het gestopt met zachtjes regenen; het komt met bakken uit de lucht. Na een lange dag afzien, moeten we nog 22 kilometer afdalen in de stromende regen. Na twee bochten ben ik alweer helemaal doorweekt en zit ik te bibberen op de fiets. Het remmen doet pijn in mijn handen van de kou. Gelukkig is de afdaling hier niet zo technisch en kun je de fiets lekker laten lopen. Halverwege de afdaling kom ik langs de plek waar ik de oude man heb ontmoet. Hij heeft ondertussen zijn spullen ingepakt en is huiswaarts gekeerd. Bij het passeren bedank ik hem nogmaals, want zonder zijn hulp had ik het hoogstwaarschijnlijk niet gered vandaag. Ik heb het bedankje nog niet uitgesproken of het stopt met regenen. 

 

Eén voor allen, allen voor één

Eenmaal beneden zetten we onze fietsen in de bewaakte stalling. De temperatuur is hier een stuk aangenamer dan boven en met het stijgen van de (lichaams)temperatuur, nemen ook de gebruikelijke praatjes weer toe. Al lachend lopen we de hal binnen en scoren we een bord pasta met worst en een goed glas bier. Daar zitten we, Erwin, Hans en ik, met onze trofee van de dag. Jaap komt erbij zitten, zet zijn pasta en bier op tafel en kijkt ons stomverbaasd aan. “Hoe komen jullie eigenlijk alle drie aan dezelfde pet?” We kijken elkaar aan en beginnen keihard te lachen. “Die heb jij toch ook”, zegt Erwin. “Nee, die heb ik niet. Maar ik zou er ook wel een willen.” “Nou”, zegt Hans, “dan moet je even terug naar de finish boven op de Stelvio. Daar krijg je er een. Hier hebben we het nou voor gedaan vandaag.” “De hele dag afzien voor een pet?” vraagt Jaap. We schieten alle vier in de lach en proosten op de goede afloop. Eén voor allen, allen voor één. Een mooiere trofee bestaat er niet. 

 

 

 

 







 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Punta Marina Terme

  Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren...