woensdag 19 februari 2020

Colle Del Nivolet - De weg naar il Paradiso




Het was een zomerse ochtend in het Aosta-dal en het was nog vroeg. Zo vroeg zelfs dat de boerderij waar wij een appartementje hadden gehuurd nog in vredige rust was. Onze ontbijttafel lag vol met broodjes, repen, bidons, reservebanden en fruit. Kortom: we waren weer klaar voor een nieuw avontuur. Na het ontbijt plaatsten we de fietsen op het dak van de auto en legden we de nodige spullen achterin. Klaar voor vertrek naar Parco Nazionale Gran Paradiso en naar de Colle del Nivolet. Het werd hoog tijd dat Hans, Jaap en ik daar eens een kijkje gingen nemen. De Colle del Nivolet is geen misselijke klim en we wisten dat we daar gerust een dag voor uit konden trekken. Deze klim ligt midden in het natuurpark Gran Paradiso dat vernoemd is naar de gelijknamige berg in dat park. Een reus van meer dan 4.000 meter hoog met vier gletsjers die alleen via de zuidkant te bereiken is. Voor ons betekende dat eerst 80 kilometer in de auto voordat we überhaupt aan deze klus konden beginnen. En een klus zou het worden…

Geen 40 maar 56 kilometer klimmen
De Colle del Nivolet is een klim van een kleine 40 kilometer met een hoogteverschil van 2.028 meter en een gemiddeld stijgingspercentage 4,9%. Niet schrikbarend veel, maar met de verschillende vlakke stukken en hier en daar wat vals plat weten de klimmers onder ons genoeg. Veel schommelingen met hoge uitschieters tot 15%. Kortom, een sloophamer die geen genade kent.

Toen wij na bijna 80 kilometer rijden in de buurt van het beginpunt kwamen, opperde Hans om de auto iets voor de klim in een dorpje neer te zetten. Jaap en ik vonden dat een goed idee en dus parkeerden we de auto in Vasetto. Vanaf daar fietsten we richting Locana, een rit van zo’n 16 kilometer waarin we onze beentjes rustig los wilden fietsen. Tot mijn grote schrik bleek de weg al vanaf het vertrek met enige regelmaat gemeen omhoog te gaan – niks rustig inrijden dus. Het was continu vals plat, waarbij de weg soms even afliep om vervolgens direct weer 4 à 5% te stijgen. Als je de benen ook maar even stilhield, werd je onmiddellijk afgestraft. Op ons gemak lekker in het ritme komen was er dus niet bij. Met deze eerste 16 kilometer werd de klim dus eigenlijk al met datzelfde aantal verlengd. 

Ik nam me voor om in elk geval de eerste 20 kilometer bij Jaap en Hans te blijven omdat het anders wel een hele lange en eenzame dag zou worden. Ik had in het voorjaar niet veel kunnen trainen, dus ik was nog niet echt in goede doen. Eerlijk gezegd wist ik eigenlijk helemaal niet of het wel zo verstandig was om deze klim te ondernemen... Ondanks het harken in die eerste kilometers kon ik wel genieten van het ongerepte landschap. Overal om me heen hoorde ik de vele watervallen en riviertjes. Wat ook opviel, waren de versieringen van de Giro die dit jaar ook naar de Colle del Nivolet ging. Niet helemaal tot de top, maar slechts tot Lago Serru op 2.275 meter; vanaf daar was de weg namelijk nog afgesloten omdat deze bedekt was met een meter sneeuw.

Maurice Garin, een renner uit de streek
Na een kilometer of tien fietsten we langs een groot bord met een schitterende oude foto van een renner uit een ver verleden, Maurice Garin. ‘Een renner uit deze streek’ stond er in het Italiaans onder. “Een renner uit deze streek”, herhaalde ik in gedachten en het duurde even voordat het kwartje viel. “Maurice Garin was toch de eerste tourwinnaar? En hij kwam toch uit Noord-Frankrijk?” Ik was in staat om om te draaien om de zin onder de foto nog een keer te lezen: Ciclista di questa regione – en dat betekende toch echt ‘renner van deze streek’. Hoe zat dat?

Eenmaal terug in ons appartement heb ik het opgezocht: 
Maurice Garin, geboren op 3 maart 1871 te Arvier in Italië. Het gezin Garin verhuisde in 1885
naar Noord-Frankrijk, naar het stadje Maubeuge dat vlak bij de Belgische grens ligt. Maurice ging daar werken als schoorsteenveger, net als zijn vader. Door zijn tengere postuur kreeg hij al snel de bijnaam ‘de kleine schoorsteenveger’. In 1892 begon Maurice met wielrennen - en dat deed hij zeer verdienstelijk. De toen nog monsterlijke afstanden die de renners moesten afleggen, lagen hem met zijn tengere lichaam goed. Hij won het werelduurrecord, de 500 kilometer op de weg, een wedstrijd in Parijs over 800 kilometer en in 1901 won hij Parijs-Brest, een wedstrijd over maar liefst 1.200 kilometer. Hij reed deze afstand in 52 uur en 11 minuten. Deze wedstrijden won hij overigens als Italiaan. Pas op 30-jarige leeftijd kreeg hij de Franse nationaliteit en in 1903 verscheen hij als Fransman aan de start van de Tour de France. Van de 60 coureurs die meededen, haalden slechts 21 de eindstreep. Het was een parcours van 2.428 kilometer, verdeeld over zes etappes. Maurice won drie van de zes etappes, waaronder de laatste etappe over 471 kilometer; dit deed hij in 18 uur en 9 minuten en daarmee had hij 10 seconden voorsprong op de nummer twee. In het eindklassement had hij een voorsprong van maar liefst 2 uur en 59 minuten - de grootste voorsprong ooit. En zo ging deze kleine schoorsteenveger op 32-jarige leeftijd de boeken in als eerste Franse Tourwinnaar. 

Het wonderschone landschap voor mij alleen
Weer terug naar de rit van vandaag, waarbij we inmiddels al een lekker eind onderweg waren. Jaap en Hans had ik laten gaan; ik ging op zoek naar mijn eigen ritme. Overigens fiets ik in een dergelijk wonderschoon landschap ook graag alleen. Ondanks het afzien en de continue druk met de bijbehorende pijn in m’n benen, voelde ik me hier als een vis in het water. Groene berghellingen, watervalletjes die langzaam de scherpe kantjes van de rotsen slijten, roofvogels die in de strakblauwe lucht zweven, de weg die langzaam voor me uit omhoog kronkelt en na elke bocht weer een andere bocht met zijn eigen verhaal - ik geniet ervan. 

De vrijheid van alleen ik en mijn fiets
In de verte doemde een tunnel op. “Ha, ha”, dacht ik, “deze keer laat ik me niet foppen!” Gewapend met lampjes ging ik de strijd met deze lange donkere weg aan die maar liefst vier kilometer lang was en af en toe gemeen omhoog liep. Toen ik de tunnel uitkwam, stonden Hans en Jaap tot mijn grote verbazing op mij te wachten. “Hey mannen, jullie hoeven niet op mij te wachten hoor. Ik zie jullie boven wel.” “Jawel”, zeiden ze, “dat vonden we toch wel fijn en wij waren elkaar ook al kwijt.” Ik keek Hans voorzichtig aan en zei “Lekker klimmetje hè?” “Man..”, zei hij, gevolgd door een diepe zucht. Kortom, Hans had het ook zwaar. Jaap had haast en maakte alweer aanstalten om verder te rijden. Hij zei niks, maar zat al wel weer ingeklikt. Al snel zaten we alle drie weer in ons eigen ritme en reden we weer ieder voor zich. Ik vond dat prima; zoals gezegd was ik niet in de goede doen en dan fiets ik graag alleen. Om alleen de strijd aan te gaan met de elementen – met de berg en met het weer, maar bovenal met mezelf. Hoe hoger ik kwam, hoe beter ik me ging voelen. Dat is bij mij eigenlijk altijd zo; ik weet niet wat dat is, maar als ik eenmaal hoog in de bergen ben, dan gebeurt er iets met me.
De vrijheid van alleen ik met mijn fiets. Hoe stijl of lang die berg ook is. Zon, regen of sneeuw – niets houdt me tegen. Boven op die berg kom ik mezelf tegen, altijd. 

Nog één bochtje
Ondertussen leek het wel of ik in het paradijs terecht was gekomen. Ik had het Lago Serru allang achter me gelaten en was in een landschap beland dat zo mooi was, dat je in een keer begreep waarom dit park Gran Paradiso heette. Je moest overigens wel een flinke strijd leveren om in dit paradijs te komen. Vanuit de sneeuwwallen aan de kant van de weg ontsnapten her en der kleine riviertjes die diagonaal over de weg richting het dal stroomden.
De zon schitterde in het smeltende water en deed pijn aan je ogen. Het kon nu niet ver meer zijn. Mijn benen werden zo af en toe lekker gekoeld door het opspattende smeltwater. Het blijft toch altijd bijzonder om in juli in de sneeuw te fietsen. Tussen de sneeuwwallen door zag ik Jaap en Hans in de verte staan en dat betekende dat ik bijna op de top was. “Nog één bochtje” zei Jaap. En inderdaad daar stond het bord: Colle del Nivolet, 2.612 meter. We namen de verplichte kiekjes en kletsten wat. Al gauw besloten we om af te dalen naar de eerste de beste berghut waar we wat konden eten. We hadden alle drie honger en waren behoorlijk uitgeput. Na drie kilometer dalen, stopten we bij een berghut. We besloten om binnen onze lunch te nuttigen; het was ondertussen behoorlijk afgekoeld en we wilden wel warm blijven.

“79 kilometer – dat kon toch niet?”
Na een klein half uur stonden we weer buiten en gewapend met windstopper en armstukken trokken we weer ten strijde. Wij wisten toen nog niet wat ons boven het hoofd hing, al hadden we wel een vermoeden toen we naar de lucht keken: de eerste grijze wolken hadden zich al tussen de bergtoppen verzameld. Ook zagen we in de verte de eerste regen al uit het donkere wolkendek vallen. In volle concentratie daalden we af. Hij liep lekker; het asfalt was goed onderhouden, de stukken waren niet te steil en er waren mooie overzichtelijke bochten. Voor we het wisten, stonden we weer voor die lange tunnel. Ik dook er zonder overleg als eerste in. Ik had m’n lampjes ontstoken en de tunnel zelf was ook goed verlicht, dus je kon de fiets lekker laten lopen. In de verte doemde een snelheidsbord op en voor ik het wist, was het bord alweer achter ons. Maar, zag ik dat nou goed? Nee, dat kan toch niet… 79 kilometer stond erop. Dat kan toch niet? “Ik was het in elk geval niet”, zei ik tegen mezelf. In de verte doemde het eind van de tunnel op. Wat was daar aan de hand? Er liepen mensen en er stonden motoren aan de andere kant van de weg. Ik minderde iets snelheid,  maar het eind van de tunnel was er toch sneller dan ik had verwacht. Met een gangetje van 60 kilometer per uur reed ik vol in een muur van hagelstenen. Het was alle hens aan dek! 

Toen we samen de tunnel uitreden, was de hagel overgegaan in regen en we stopten bij een bar die we passeerden. Daar hoorden we van de aanwezige plaatselijke ouderbond dat dit nog wel even aan zou houden en dat we maar beter door konden fietsen, anders zouden we het alleen maar koud krijgen. We besloten om maar snel weer door te rijden. “Het regent toch niet meer zo hard”, zei Hans. Bij het wegrijden kwam Hans voor een vrachtauto te zitten en Jaap en ik zaten erachter. Alsof dat nog niet erg genoeg was, zaten we ook achter twee Italianen die het hoofdstuk ‘dalen in de regen’ niet hadden begrepen. We hielden deze twee piloten op veilige afstand voor ons en zagen de vrachtauto langzaam kleiner worden. Op een iets langer recht stuk zag ik mijn kans schoon en voor de eerstvolgende bocht was ik ze voorbij gestoken. Ik zette de achtervolging in op de vrachtauto, met Hans daar voor. 

We hadden aan één blik genoeg: de gaskraan ging open
Wat ik toen nog niet wist, was dat de twee Italianen mijn wiel hadden uitgekozen en dat Jaap daar weer op gepaste afstand achter zat. Het duurde niet lang of ik had de vrachtwagen in het vizier. De vrachtwagenchauffeur had ons in zijn spiegel; hij zette zijn wagen bij de eerste de beste gelegenheid aan de kant zodat wij veilig konden passeren. Ik keek een keer achterom en zag de twee mannetjes strak in mijn wiel zitten. Jaap zat daar op een metertje of vijf al nee-schuddend achter. Ik wist wat mij te doen stond. De regen kwam nog steeds met bakken uit de hemel, maar ik probeerde de druk bij onze meesluipers op te voeren. We waren bijna onder aan de klim en er kwamen nu ook stukken die wat vlakker waren of zelfs iets omhoog liepen. Het was op zo’n stuk dat Jaap zijn kans schoon zag en naast me kwam fietsen. We keken elkaar aan en hadden aan één blik genoeg - de gaskraan ging open. Jaap en ik reden kop over kop in één streep naar Hans. Eenmaal bij Hans aangekomen, hadden we even kort overleg. Terwijl onze voeten een warme douche van het opspattende water kregen, besloten we om de laatste 20 kilometer volle bak door te rijden. Kortom, het was koers. En zo gebeurde het dat de drie musketiers uit het noorden er een moordend tempo op na hielden. Al lag het water 10 centimeter hoog in de straten, de teller kwam niet meer onder de 40 kilometer per uur. Kop over kop reden we het dal in. Al hadden onze medereizigers ook maar één keer kopwerk willen verrichten, ze kwamen er niet aan te pas. 

Wat moeten die Italianen wel niet gedacht hebben…
Bij het binnenrijden van Locana hoorden we dat het in de verte begon te rommelen. Hans bromde wat om zich heen, maar werd er niet vrolijker van en gaf er nog maar een keer een snok aan. Bij de twee Italiaantjes moest zo langzaamaan het licht toch ook een keer uitgaan, maar ook zij wilden natuurlijk snel naar huis in dit beestenweer. Vasetto was niet ver meer, maar het onweer kwam ook dichterbij. Voor ons het sein om er toch nog een laatste keer een klap op te geven. Waar we het vandaan haalden, weten we trouwens tot op de dag van vandaag nog steeds niet. Bij het binnenrijden van Vasetto zette Hans zich op kop en hij wist de weg naar de parkeerplaats in één streep terug te vinden. Bij de laatste rotonde namen de twee Italianen een andere afslag en nadat ze uit ons wiel bolden, stonden ze ook gelijk geparkeerd. We hadden graag willen weten wat die twee mannen tegen elkaar te zeggen hadden. Met 110 kilometer op de teller en tot op het bot doorweekt, kwamen we aan bij de parkeerplaats. Een ieder deed zijn ding: voorwiel eruit, fiets op het dak, wielen in de auto, helmen, schoenen in de achterbak en droge kleren aan. Voor we het wisten, zaten we in de auto. Hans startte de auto, stuurde hem de parkeerplaats af, het dorp uit en het dal in. Het was stil in de auto, muisstil. We waren voor even gevangen in ons eigen moment. Bij het verlaten van Vasetto zei Hans uit het niets: “Wat moeten die twee Italianen wel niet gedacht hebben?” Even bleef het stil, maar al gauw barsten we in lachen uit.




Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Punta Marina Terme

  Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren...