zondag 3 mei 2020

Lavarone : na 100 jaar nog bloemen aan je houten kruis



De laatste wolken schurkten zich langzaam een weg omhoog, over de top van de Menador. Ergens achter die laaghangende bewolking en tussen de bebossing lag de Kaiserjägerstrasse verstopt. Die wolken waren een voorbode: niet veel later zou ik ook tegen diezelfde top aan schurken. De Kaiserjägerstrasse is een historisch pad, al is de straat zoals hij nu is nog niet zo oud. Hier ligt al honderden jaren een ‘ezelspad’ om van het Valsugana-dal op het hoger gelegen plateau van Lavarone te komen. Het waren de Oostenrijkers die in 1911 de weg verbreedden en er wat tunneltjes maakten zodat ze hun stellingen konden bevoorraden. Die stellingen stonden er overigens al rond 1870. Het waren de Kaiserjägers die deze weg aanlegden; vandaar de naam Kaiserjägerstrasse. In de jaren 60 van de vorige eeuw is de weg geheel geasfalteerd en zijn op de meest gevaarlijke plekken vangrails geplaatst. Alle reden om daar eens een kijkje te gaan nemen.

Een fenomenaal uitzicht als beloning
Met twee goed gevulde bidons en een gezonde dosis honger naar nieuw avontuur, vertrok ik richting Caldonazzo. Het enige dat ik me had voorgenomen, was de Menador beklimmen en vervolgens de Passo Vezzena. Deze twee klimmen liepen feilloos in elkaar over en het eerste deel begon iets buiten Caldonazzo. Eerst nog lief, maar al gauw ging het stijgingspercentage omhoog en merkte je aan alles dat het een oud ezelspad was. Het leek wel of ze de weg tegen de

buitenkant van deze berg aan hadden geplakt. De ene haakse bocht na de andere diende zich aan en na elke bocht knalde het omhoog. De klim op zich is maar 8 kilometer, maar wel met een gemiddeld stijgingspercentage van maar liefst 9,4%. Ik schurkte mezelf een weg omhoog, net als de wolken eerder deze ochtend. Ik kwam bij de eerste tunnel en stond ervan te kijken hoe smal hij was. Er paste hier maar net een auto door, en dan moest hij vooral niet te breed zijn. Terwijl ik de tunnel inreed, las ik snel een stukje van het bord met daarop de tekst dat deze tunnel gemaakt is door de Kaiserjägers. Toen ik uit de tunnel reed, was het uitzicht fenomenaal. Ik fietste langs het ‘punto panoramico’ waarvandaan je een schitterend uitzicht hebt over twee meren die in het dal gebroederlijk naast elkaar liggen. 

“Dit kan toch niet waar zijn…”
Na vier kilometer klimmen dacht ik lekker gewend te zijn, maar niets was minder waar: vanaf dit punt kwam het niet meer onder de 8,5 %. Het werd echt werken op de vroege ochtend. Na elke kilometer stond langs de smalle weg een bordje met alle informatie over deze klim. Ik keek op mijn tellertje en dacht dat het niet ver meer kon zijn. In de verte diende zich alweer een bordje aan en ik probeerde snel de informatie in me op te nemen. Gelukkig, nog maar 2 kilometer tot de top – maar wel met een gemiddeld stijgingspercentage van 12,1 %. Ik schoot van ellende in de lach. “Dit kan toch niet waar zijn”, zei ik tegen mezelf. Maar al snel werd ik met de keiharde feiten om de oren geslagen en na de eerstvolgende bocht reed ik tegen een muur van 12% aan. Eén ding wist ik zeker: dit zou minimaal 1 kilometer duren. Toen ik boven kwam, keek ik even om me heen en twijfelde ik welke kant ik op moest. Ik volgde de ‘sp133’ richting de top van de Passo Vezzena die 6 kilometer verderop lag. De weg liep in het begin iets af om vervolgens rustig omhoog te gaan. Ik nam de tijd om even goed te eten en te drinken en liet mijn beentjes rustig rondgaan om ze te laten herstellen. De weg naar de top liep heerlijk geleidelijk, met vrijwel geen uitspattingen. Toen ik eenmaal boven was, parkeerde ik mijn fiets en keek nog eens goed om me heen. Het noodlot had hier flink toegeslagen; er lagen hele flatgebouwen aan omgewaaide bomen en hellingen waren compleet kaalgeslagen. Ik besloot om verder te gaan richting de splitsing van de Kaiserjägerstrasse om vanaf daar richting Lavarone te fietsen. 

Hier werden in 1915 75.000 inwoners geëvacueerd
Terug bij de splitsing zette ik koers richting Lavarone, net als de militairen dat begin vorige eeuw gedaan moeten hebben. Er is toen in dit gebied enorm gevochten tussen de Italianen en de Oostenrijkers. Het was vergelijkbaar met de loopgravenoorlog aan het westfront. De weg richting Lavarone liep mooi geleidelijk; aan alles was te merken dat dit een plateau is. De weg ging mooi op en neer en lag er goed bij. Ook hier weer veel plekken met omgewaaide bomen en plekken waar wegwerkzaamheden geweest zijn. Terwijl ik onder een viaduct doorreed, kon ik nog net het spandoek lezen dat er voorlangs was gespannen waarop stond dat het in 2019 100 jaar geleden was dat de bewoners naar dit gebied terugkeerden. Deze tekst triggerde mij. Ik kneep in mijn remmen en fietste terug. Ik las de tekst nog eens goed en nam de informatie met bij behorende foto in mij op.
In 1915 werden 75.000 bewoners uit dit gebied geëvacueerd; zij werden opgevangen in vluchtelingenkampen. Omdat deze kampen al snel vol waren, werden vele van hen doorgestuurd naar andere landen die onder het Oostenrijks-Hongaarse rijk vielen. De meesten kwamen terecht in een voor die tijd modern vluchtelingenkamp in Braunau, Oostenrijk. Vanaf december 1918 konden ze weer terug naar hun geliefde Lavarone, dat toen onder Italiaans bewind was gevallen.

“Het is er een mooie dag voor.”
Ik fietste rustig verder en kon niet anders dan terugdenken aan hoe het er in die tijd aan toe moet zijn gegaan. In wat voor een chaos en blinde paniek de veelal arme boeren huis en haard moesten achterlaten. Toen ik het wonderschone plaatsje Gionghi binnenreed, viel mijn oog op een heel klein houten bordje dat verwees naar het ‘Cimitero Militare Austro-Ungarrico’; de militaire begraafplaats Oostenrijk-Hongarije. Ik fietste een stukje door het dorpje, op zoek naar een bar. En zoals altijd vond ik dat barretje ook nu weer midden in het dorpje. Ik zette mijn fiets met veel precisie tegen een betonnen bloembak voor het terras. Ik stapte over de zware ketting die tussen de bloembakken hing en begroette de mensen op het terras; ik kreeg een vriendelijke groet in het dialect terug. Eenmaal binnen bestelde ik mijn koffie en een zoet broodje en keek ik eens rustig om me heen. Het viel me op dat het druk was met plaatselijke bevolking. Iedereen kende elkaar en de meesten hadden hun best gedaan om er ‘op hun zondags’ uit te zien. Wat me ook opviel, was dat alles verwees naar de bergen – en naar die oorlog. Ik bladerde wat door een plaatselijke krant en werd  meteen met mijn neus op de feiten gedrukt: veel Duitse namen terwijl hier wel Italiaans werd gesproken. Terwijl ik mijn koffie en broodje afrekende, vroeg ik de weg naar ‘il cimitero’. De man wees langs de hoofdweg en zei: “Drie kilometer die kant op, volg de houten bordjes. Je moet in Slaghenaufi zijn. Het is er een mooie dag voor.” Vol verwachting draaide ik mijn fiets, wenste iedereen een fijne zondag en liet mijn fiets het stadje uitrollen.

748 houten kruisen, strak naast elkaar
 Na een kleine drie kilometer kwam ik bij de afslag; ‘il cimitero’ rechtsaf. De weg was zo smal, dat je niet meer zou verwachten dat er nog een dorpje zou komen. Niets was echter minder waar en na 500 meter reed ik Slaghenaufi binnen. Slaghenaufi stelde echt niets voor: vier goed onderhouden boerderijen en een kerkje. Er slingerde een smal weggetje door het dorpje dat behoorlijk opliep. Op het moment dat ik het dorpje weer uitging, liep het geasfalteerde pad zo gemeen omhoog, dat fietsen bijna onmogelijk werd. Niet veel verderop stopte het asfalt en ging het pad over in een soort betonnen pad waar stenen ingelegd waren. Vanaf hier was het nog maar 300 meter. Ik besloot om te voet verder te gaan en liep met de fiets aan de hand in de berm. Echt van harte ging dat niet en ik besloot om mijn schoenen en sokken uit te trekken. Op mijn blote voeten liep ik verder. Eenmaal boven stond ik oog in oog met de begraafplaats en ik werd overvallen door een emotionele schoonheid. Ik keek uit over 748 houten kruisen. Ik parkeerde mijn fiets onder het houten informatiebord en nam een slok lauw water. Op blote voeten betrad ik de begraafplaats. De zon scheen over de houten kruisen en het gras was hier groener dan groen. Het uitzicht was zeldzaam mooi. En daar stond ik, moederziel alleen op 1.280 meter boven zeespiegel. Heel voorzichtig liep ik tussen de kruisen door die strak naast elkaar stonden. Op de meeste kruisen stonden nog de geboortedatum, de datum van overlijden en de naam. Hier lagen vooral Oostenrijkers, Hongaren en Bosniërs, veelal jonge mannen. Op een heuveltje rechts van mij stond een klein houten kapelletje. Ik liep er op mijn blote voeten naartoe. In dit kapelletje werd een kleine dienst gehouden voordat de overledene ter aarde werd besteld. Ik probeerde me daar een voorstelling van te maken, want het kapelletje was zo klein dat er alleen een kist in paste. De dienstdoende pastoor en dragers moesten buiten blijven staan. Vanaf de plek waar het kapelletje stond, had ik een schitterend uitzicht over de begraafplaats. Na een poosje liep ik terug naar de uitgang waar ik nog even bij het informatiebord bleef kijken. Het was mij al opgevallen dat rechts van de begraafplaats een enorme open vlakte was. Hier stond vroeger een groot en voor die tijd een modern, houten ziekenhuis - het ‘Malteser Spital Malga Belem’. Dit hospitaal was destijds toevertrouwd aan de ridders van Malta, een broederschap dat nog steeds bestaat. Het was een immens complex, vlak achter het front van de Altipiani.

Bloemen en een lint dat leek te dansen op de wind
 Ik haalde mijn bidon uit m’n fiets en ging op het bankje zitten dat achter het houten hekje stond. Daar zat ik, in de zon. Ik keek nog eens van links naar rechts naar de 748 houten kruisen. De immense stilte en de schoonheid van deze plek waren op dat moment niet het enige dat me opviel. Aan één van de houten kruisen hingen plastic bloemen en een heel klein lintje in de kleuren van de Italiaanse vlag. Ik bedacht me geen moment, zette mijn bidon op de grond en liep er naartoe. Ik ging naast het houten kruis staan en boog iets voorover en kon nog net de gegevens op het ietwat verweerde plaatje lezen: Maria 1898 – 1918. Ik zuchtte; ze was pas 20 jaar. Ik kreeg kippenvel op mijn armen. Het moet een verpleegster van het aangelegen hospitaal zijn geweest, dacht ik bij mezelf. De burgers waren immers geëvacueerd. Maar wat kon er gebeurd zijn? Een ziekte, een scherf van een granaat op het moment dat ze mee was om gewonden van het front te halen? Ik ging weer op het bankje zitten en probeerde me de chaos voor te stellen zoals het er toen op deze plek uitgezien moest hebben. Exact 100 jaar geleden. Ik herhaalde dat laatste nog een paar keer: 100 jaar geleden, 100 jaar geleden, 100 jaar geleden. Vluchtelingen, evacuaties, gewonden, onschuldigen en vaak te jonge mensen. En 100 jaar later zat ik op een bankje te kijken naar een zeer goed onderhouden begraafplaats die tot op de dag van vandaag wordt onderhouden door de plaatselijke bevolking. Opdat we de slachtoffers van deze oorlog niet mogen vergeten. Tegelijkertijd vroeg ik me af wat we  ervan geleerd hebben. Met mijn fiets in mijn rechter- en mijn schoenen in mijn linkerhand liep ik het bergpad af. En in mijn hoofd dwaalde Maria... Hoe zou ze eruit hebben gezien, welke kleur ogen zou ze hebben gehad? Kwam ze uit de streek of was ze, zoals zo velen, zonder het bijzijn van haar familie begraven? Wat waren haar dromen? Zo veel gedachten, zo veel vragen. Eén ding weet ik zeker: ze moet een groot hart gehad hebben, anders hadden er 100 jaar na dato geen bloemen meer aan haar kruis gehangen. Een gedachte die me een warm gevoel gaf. Ik stopte, keek nog één keer over mijn rechterschouder en zag nog net het topje van het houten kruis met de plastic bloemen en het lint dat voorzichtig leek te dansen op een zomers briesje. Alsof ze me uit zwaaide. Dan weet ik het zeker, dit is het hoogst haalbare in het leven: na 100 jaar nog bloemen aan je houten kruis. 

Punta Marina Terme

  Het is een warme ochtend in Punta Marina Terme. Ik gooi m'n laatste slok espresso achterover en strek de beentjes. De rit van gisteren...